Read: OT_03_Leviticus


Leviticus 1
1:1 En de Heer riep Mozes en sprak tot hem uit de tent der samenkomst, zeggende:
1:2 Spreek met de kinderen Israëls en zeg tot hen: Wie onder ulieden den Heer een offer wil brengen, brenge het van het vee, van runderen en van schapen.
1:3 Wil hij een brandoffer brengen van runderen, zo offere hij een mannetje, dat zonder gebrek is, voor den ingang van de tent der samenkomst, opdat het van hem aangenaam zij voor den Heer.
1:4 En hij legge zijne hand op het hoofd des brandoffers, zo zal het aangenaam zijn en hem verzoenen.
1:5 En hij zal het jonge rund slachten voor den Heer; en de priesters, Aärons zonen, zullen het bloed offeren, en het sprengen rondom tegen het altaar, dat voor den ingang van de tent der samenkomst is.
1:6 En men zal het brandoffer de huid aftrekken, en het zal in stukken gedeeld worden.
1:7 En de zonen van den priester Aäron zullen een vuur op het altaar maken, en hout daarop leggen.
1:8 En zij zullen de stukken, namelijk het hoofd en het vet, op het hout leggen boven het vuur, dat op het altaar ligt.
1:9 Maar het ingewand en de schenkels zal men met water wassen; en de priester zal dat alles ontsteken op het altaar tot een brandoffer. Dit is een vuuroffer tot een liefelijken reuk voor den Heer.
1:10 Wil hij echter van schapen of geiten een brandoffer brengen, zo brenge hij een mannetje, dat zonder gebrek is.
1:11 En hij zal het slachten ter zijde van het altaar tegen het Noorden voor den Heer; en de priesters, Aärons zonen, zullen zijn bloed sprengen rondom tegen het altaar.
1:12 En men zal het in stukken delen, en de priester zal het hoofd en het vet leggen op het hout boven het vuur, dat op het altaar is.
1:13 Maar het ingewand en de schenkels zal men met water wassen; en de priester zal dat alles offeren en ontsteken op het altaar tot een brandoffer. Dit is een vuuroffer tot een liefelijken reuk voor den Heer.
1:14 Maar wil hij van vogels den Heer een brandoffer brengen, zo brenge hij het van tortelduiven of van jonge duiven.
1:15 En de priester zal ze tot het altaar brengen, en ze den kop afnijpen om op het altaar ontstoken te worden, en zal haar bloed laten uitbloeden aan den wand van het altaar.
1:16 En haren krop met hare vederen zal men bij het altaar tegen het Oosten op den ashoop werpen.
1:17 En hij zal hare vleugels klieven, maar niet afbreken; en alzo zal de priester dat ontsteken op het altaar, op het hout, dat op het vuur is, tot een brandoffer. Dit is een vuuroffer tot een liefelijken reuk voor den Heer.



Leviticus 2
2:1 En wanneer iemand den Heer een spijsoffer wil brengen, zo zal het van meelbloem zijn; en hij zal er olie opgieten, en er wierook opleggen;
2:2 en hij zal het alzo brengen tot de priesters, Aärons zonen. Alsdan zal de priester zijne hand vol nemen van deze meelbloem en olie, benevens al den wierook, en hij zal het op het altaar ontsteken tot ene gedachtenis. Dit is een vuuroffer tot een liefelijken reuk voor den Heer.
2:3 Maar het overige van het spijsoffer zal voor Aäron en zijne zonen zijn. Dit zal het allerheiligste zijn van de vuuroffers voor den Heer.
2:4 Wilt gij echter een spijsoffer brengen van iets wat gebakken wordt in den oven, zo neme men koeken van meelbloem, ongezuurd, met olie gemengd, en ongezuurde vladen met olie bestreken.
2:5 Of is uw spijsoffer iets van hetgeen gebakken wordt in de pan, zo zal het zijn van ongezuurde meelbloem, met olie gemengd.
2:6 En gij zult het in stukken delen en olie daarop gieten, dan is het een spijsoffer.
2:7 Of is uw spijsoffer iets, op den rooster geroost, zo zult gij het bereiden van meelbloem met olie.
2:8 En gij zult dat spijsoffer, hetwelk gij daarvan bereid hebt voor den Heer, tot den priester brengen; die zal het op het altaar brengen.
2:9 En hij zal een deel van dat spijsoffer opheffen tot ene gedachtenis, en het op het altaar ontsteken. Dit is een vuuroffer tot een liefelijken reuk voor den Heer.
2:10 Maar het overige zal voor Aäron en zijne zonen zijn. Dit zal het allerheiligste zijn van de vuuroffers voor den Heer.
2:11 Alle spijsoffer, dat gij den Heer brengen wilt, zult gij zonder zuurdeeg bereiden; want daaronder zal geen zuurdeeg noch honig tot een vuuroffer voor den Heer ontstoken worden.
2:12 Maar gij moogt die den Heer tot een eersteling brengen; doch zij zullen op het altaar niet ontstoken worden tot een liefelijken reuk.
2:13 Al uw spijsoffer zult gij zouten, en uw spijsoffer zal nimmer zonder het zout des verbonds van uwen God zijn; want bij al uwe offers zult gij zout offeren.
2:14 Maar wilt gij den Heer een spijsoffer brengen van de eerste vruchten, zo zult gij de verse aren, aan het vuur gedroogd, klein stoten, en alzo het spijsoffer van uwe eerste vruchten brengen;
2:15 en gij zult olie daarbij doen, en wierook daarop leggen; dan is het een spijsoffer.
2:16 En de priester zal het offer van het gestoten graan en van de olie, benevens al den wierook, ontsteken tot ene gedachtenis. Dit is een vuuroffer voor den Heer.


Leviticus 3
3:1 En indien zijn offer een dankoffer is van runderen, hetzij os of koe, zo zal hij voor den Heer brengen hetgeen zonder gebrek is.
3:2 En hij zal zijne hand op het hoofd van zijn offerdier leggen en het slachten voor den ingang van de tent der samenkomst; en de priesters, Aärons zonen, zullen het bloed sprengen rondom het altaar.
3:3 En hij zal van het dankoffer den Heer offeren al het vet, dat aan het ingewand is,
3:4 en de twee nieren met het vet, dat daaraan is, aan de lendenen; en het net over de lever aan de nieren zal hij daarvan afscheuren;
3:5 en Aärons zonen zullen het ontsteken tot een brandoffer op het altaar, op het hout, dat op het vuur ligt. Dit is een vuuroffer tot een liefelijken reuk voor den Heer.
3:6 Maar wil hij den Heer een dankoffer van klein vee brengen, hetzij hamel of schaap, zo zal het zonder gebrek zijn.
3:7 Is het een lam, zo zal hij het voor den Heer brengen.
3:8 En hij zal zijne hand op het hoofd van zijn offerdier leggen, en het slachten Vóór de tent der samenkomst; en Aärons zonen zullen zijn bloed sprengen rondom tegen het altaar.
3:9 En hij zal van dat dankoffer den Heer offeren tot een vuuroffer, namelijk zijn vet, den gehelen staart, van den rug afgescheurd, en al het vet aan het ingewand;
3:10 de twee nieren met het vet, dat daaraan is, aan de lendenen, en het net over de lever, aan de nieren afgescheurd;
3:11 en de priester zal het ontsteken op het altaar, tot ene spijs des vuuroffers voor den Heer.
3:12 En is zijn offer ene geit, en brengt hij haar voor den Heer,
3:13 zo zal hij zijne hand op haar hoofd leggen, en haar slachten Vóór de tent der samenkomst; en Aärons zonen zullen het bloed sprengen rondom tegen het altaar.
3:14 En hij zal daarvan een offer voor den Heer offeren, namelijk al het vet aan het ingewand,
3:15 de twee nieren met het vet, dat daaraan is, aan de lendenen, en het net over de lever, aan de nieren afgescheurd;
3:16 en de priester zal het op het altaar ontsteken tot ene spijs des vuuroffers, tot een liefelijken reuk. Al het vet is voor den Heer.
3:17 Dit zij ene eeuwige inzetting bij uwe nakomelingen, in al uwe woningen, dat gij geen vet en geen bloed eet.


Leviticus 4
4:1 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende:
4:2 Spreek tot de kinderen Israëls, zeggende: Wanneer iemand uit onwetendheid gezondigd heeft tegen enig gebod des Heren, hetgeen hij niet doen moest,
4:3 namelijk, indien een priester, die gezalfd is, mocht zondigen, zodat hij een schuld op het volk bracht, dan zal hij voor zijne zonde, die hij gedaan heeft, een jongen var, die zonder gebrek is, den Heer tot een zondoffer brengen;
4:4 en hij zal dien jongen var voor den ingang van de tent der samenkomst brengen voor den Heer, en zijne hand op deszelfs hoofd leggen, en hem slachten voor den Heer.
4:5 En de priester, die gezalfd is, zal van het bloed van den var nemen, en het in de tent der samenkomst brengen;
4:6 en hij zal zijnen vinger in dat bloed dopen, en daarmede zevenmaal sprengen voor den Heer, Vóór het voorhangsel in het heilige.
4:7 En hij zal van dat bloed doen op de hoornen des reukaltaars, dat voor den Heer in de tent der samenkomst is, en al het bloed uitgieten aan den voet van het brandofferaltaar, dat voor den ingang van de tent der samenkomst is.
4:8 En al het vet des zondoffers zal hij opheffen, namelijk het vet aan het ingewand,
4:9 de twee nieren met het vet, dat daaraan is, aan de lendenen, en het net over de lever, aan de nieren afgescheurd,
4:10 gelijk hij het opheft van het rund des dankoffers; en hij zal het op het brandofferaltaar ontsteken.
4:11 Maar de huid van den var met al het vlees, benevens het hoofd en de schenkels en het ingewand en den mest,
4:12 dat alles zal hij uitvoeren buiten het leger, aan ene reine plaats, waar men de as uitstort, en hij zal het op het hout met vuur verbranden.
4:13 Wanneer de gehele gemeente van Israël uit dwaling misdoen mocht, en de daad voor hunne ogen verborgen was, en zij tegen enig gebod des Heren gedaan hadden, hetgeen zij niet doen moesten, en zich alzo schuldig gemaakt hadden,
4:14 en daarna hunne zonde, die zij gedaan hadden, gewaar werden, zo zullen zij een jongen var tot een zondoffer brengen, en hem voor den ingang van de tent der samenkomst stellen;
4:15 en de oudsten der gemeente zullen hunne handen op zijn hoofd leggen voor den Heer, en men zal den var slachten voor den Heer.
4:16 En de priester, die gezalfd is, zal van het bloed van den var in de tent der samenkomst brengen;
4:17 en hij zal zijnen vinger daarin dopen, en zevenmaal voor den Heer, Vóór het voorhangsel, sprengen.
4:18 En hij zal van dat bloed doen op de hoornen des altaars, dat voor den Heer staat in de tent der samenkomst, en al het andere bloed zal hij uitgieten aan den voet van het brandofferaltaar, dat voor den ingang van de tent der samenkomst is.
4:19 Maar al zijn vet zal hij opheffen en het op het altaar ontsteken.
4:20 En hij zal met dien var doen, gelijk hij met den var des zondoffers gedaan heeft; en alzo zal de priester hen verzoenen, en zal het hun vergeven worden.
4:21 En hij zal den var uitvoeren buiten het leger en hem verbranden, gelijk hij den vorigen var verbrand heeft. Dit zal het zondoffer der gemeente zijn.
4:22 En als een vorst zondigt, en tegen enig gebod van den Heer, zijnen God, doet hetgeen hij niet doen moest, door dwaling, zodat hij zich schuldig maakt,
4:23 en hij wordt zijne zonde, die hij gedaan heeft, gewaar, zo zal hij een geitebok, zonder gebrek, tot een offer brengen;
4:24 en hij zal zijne hand leggen op het hoofd van den bok, en hem slachten ter plaatse, waar men het brandoffer slacht voor den Heer. Dit zij zijn zondoffer.
4:25 Dan zal de priester met zijnen vinger van het bloed des zondoffers nemen, en het op de hoornen van het brandofferaltaar doen, en het andere bloed aan den voet van het brandofferaltaar uitgieten;
4:26 maar al zijn vet zal hij op het altaar ontsteken, evenals het vet des dankoffers; en alzo zal de priester zijne zonde verzoenen, en zal het hem vergeven worden.
4:27 En wanneer iemand van het volk door dwaling misdoet en zondigt, zodat hij tegen een van de geboden des Heren doet hetgeen hij niet doen moest, en zich alzo schuldig maakt,
4:28 en hij wordt zijne zonde, die hij gedaan heeft, gewaar, dan zal hij ene geit, zonder gebrek, tot een offer brengen voor de zonde, die hij gedaan heeft;
4:29 en hij zal zijne hand op het hoofd des zondoffers leggen, en het slachten ter plaatse van het brandoffer.
4:30 En de priester zal met zijnen vinger van dat bloed nemen, en het op de hoornen van het brandofferaltaar doen, en al het overige bloed aan den voet van het altaar uitgieten;
4:31 maar al het vet zal hij afscheuren, gelijk hij het vet des dankoffers afgescheurd heeft, en hij zal het op het altaar ontsteken, tot een liefelijken reuk voor den Heer; en alzo zal de priester hem verzoenen, en het zal hem vergeven worden.
4:32 Maar brengt hij een schaap tot een zondoffer, zo brenge hij een wijfje, zonder gebrek,
4:33 en hij legge zijne hand op het hoofd des zondoffers, en slachte het tot een zondoffer ter plaatse, waar men het brandoffer slacht;
4:34 en de priester zal met zijnen vinger van dat bloed nemen en het op de hoornen van het brandofferaltaar doen, en al het overige bloed aan den voet van het altaar uitgieten;
4:35 maar al het vet zal hij afscheuren, gelijk hij het vet van het schaap des dankoffers afgescheurd heeft; en de priester zal het op het altaar ontsteken tot een vuuroffer voor den Heer; en alzo zal de priester zijne zonde, die hij gedaan heeft, verzoenen, en zij zal hem vergeven worden.


Leviticus 5
5:1 Wanneer iemand ene bezwering gehoord hebbende, als getuige, omdat hij het gezien of vernomen heeft, alzo mocht zondigen, dat hij het niet te kennen geeft, die is aan ene misdaad schuldig.
5:2 Of wanneer iemand iets onreins aanraakt, hetzij een aas van een onrein dier of vee of gewormte en niet wist, dat hij onrein was, en zich schuldig gemaakt heeft;
5:3 of wanneer iemand een onrein mens aanraakt, door welke onreinheid het ook zij, waardoor de mens onrein kan worden, en het niet wist, en hij wordt het gewaar, dat hij zich heeft schuldig gemaakt;
5:4 of wanneer iemand een eed doet, die hem uit den mond ontglipte, om kwaad of goed te doen, gelijk een mens wel een eed ontglippen kan, eer hij het bedenkt, en hij wordt het gewaar, dat hij zich heeft schuldig gemaakt:
5:5 wanneer het nu geschiedt, dat hij zich op zodanige wijs heeft schuldig gemaakt, en bekent, dat hij daarin gezondigd heeft,
5:6 zo zal hij voor zijne schuld aan deze zonde, die hij gedaan heeft, den Heer een lam of ene geit van de kudde brengen tot een zondoffer; en alzo zal de priester hem zijne zonde verzoenen.
5:7 Maar is een lam boven zijn vermogen, zo brenge hij den Heer voor zijne zonde, die hij gedaan heeft, twee tortelduiven of twee jonge duiven; de eerste tot een zondoffer, de andere tot een brandoffer.
5:8 En hij brenge die den priester; die zal de eerste tot een zondoffer bereiden, en haar den kop afnijpen achter den nek, maar niet afbreken.
5:9 En hij zal van het bloed des zondoffers sprengen tegen de zijde van het altaar, en het overige bloed laten uitbloeden aan den voet des altaars. Dit is het zondoffer.
5:10 Maar de andere zal hij tot een brandoffer bereiden, volgens het voorschrift; en alzo zal de priester hem zijne zonde, die hij gedaan heeft, verzoenen, en zij zal hem vergeven worden.
5:11 Maar zijn twee tortelduiven of twee jonge duiven boven zijn vermogen, zo brenge hij, die gezondigd heeft, voor zijn offer een tiende deel van een efa meelbloem tot een zondoffer, maar hij zal er geen olie bijdoen noch er wierook opleggen, want het is een zondoffer
5:12 En hij zal het tot den priester brengen; de priester nu zal een handvol daarvan nemen tot ene gedachtenis, en het op het altaar ontsteken tot een vuuroffer voor den Heer. Dit is een zondoffer.
5:13 En de priester zal voor hem alzo zijne zonde, die hij gedaan heeft, verzoenen, en zij zal hem vergeven worden; en het zal voor den priester zijn, gelijk het spijsoffer.
5:14 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende:
5:15 Wanneer iemand zich onvoorziens vergrijpt, en zich bezondigt aan hetgeen den Heer gewijd is, zo zal hij zijn schuldoffer den Heer brengen, een ram van de kudde, zonder gebrek, die twee sikkels zilver waard is, naar den sikkel des heiligdoms, tot een schuldoffer.
5:16 En hij zal datgene vergoeden, waaraan hij zich ten aanzien der heilige dingen bezondigd heeft, en het vijfde deel daarenboven geven, en hij zal het den priester geven; die zal hem verzoenen met den ram des schuldoffers, en het zal hem vergeven worden.
5:17 Wanneer iemand zondigt, en doet tegen enig gebod des Heren, hetgeen hij niet doen moest, en het niet geweten heeft, die heeft zich schuldig gemaakt en is aan zijne misdaad schuldig.
5:18 En hij zal een ram van de kudde, zonder gebrek, die een schuldoffer waard is, tot den priester brengen; die zal hem zijne onwetenheid, waarin hij gedwaald heeft, daar hij het niet wist, verzoenen; en het zal hem vergeven worden.
5:19 Dit is het schuldoffer, waarin hij voor den Heer vervallen is.


Leviticus 6
6:1 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende:
6:2 Wanneer een ziel zondigde en zich tegen den Heer vergreep, daarin, dat hij loochent hetgeen zijn naaste hem toevertrouwd heeft, of wat hem ter hand gesteld is, of wat hij met geweld genomen of met onrecht aan zich gebracht heeft;
6:3 of als hij hetgeen verloren is, gevonden heeft en dat loochent met een valsen eed, of wat van dit alles ook zij, waarin een mens tegen zijnen naaste zondigt;
6:4 als het nu geschiedt, dat hij alzo zondigt en zich schuldig maakt, zo zal hij wedergeven hetgeen hij met geweld genomen of met onrecht aan zich gebracht heeft, of wat hem toevertrouwd is, of wat hij gevonden heeft,
6:5 of waarover hij den valsen eed gedaan heeft: dat zal hij alles in het geheel wedergeven, en nog het vijfde deel daarenboven, aan dengeen, van wien het geweest is, op den dag, als hij zijn schuldoffer brengt.
6:6 En voor zijne schuld zal hij voor den Heer tot den priester brengen een ram van de kudde, zonder gebrek, die een schuldoffer waard is.
6:7 Zo zal de priester hem verzoenen voor den Heer en hem zal vergeven worden al wat hij gedaan heeft, waaraan hij zich heeft schuldig gemaakt.
6:8 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende:
6:9 Gebied Aäron en zijnen zonen, zeggende: Dit is de wet van het brandoffer: het brandoffer op het altaar brande den gehelen nacht tot aan den morgen, en het vuur des altaars zal daarop branden.
6:10 En de priester zal zijnen linnen rok aantrekken en de linnen onderklederen aan zijn lijf; en hij zal de as opnemen, welke door het vuur des brandoffers op het altaar gemaakt is, en zal die bij het altaar uitschudden.
6:11 En hij zal daarna zijne klederen uittrekken en andere klederen aandoen, en de as uitdragen tot buiten het leger aan ene reine plaats.
6:12 Het vuur op het altaar zal branden en nooit uitgeblust worden; de priester zal daarop elken morgen het hout aansteken, en daarop het brandoffer bereiden, en het vet der dankoffers daarop ontsteken.
6:13 Eeuwiglijk zal het vuur op het altaar branden en nooit uitgeblust worden.
6:14 En dit is de wet van het spijsoffer, hetwelk Aärons zonen offeren zullen voor den Heer op het altaar.
6:15 Hij zal daarvan een handvol afnemen, van de meelbloem des spijsoffers, en van de olie, en al den wierook, die op het spijsoffer ligt, en zal het op het altaar ontsteken tot een liefelijken reuk, ene gedachtenis voor den Heer.
6:16 Maar het overige zullen Aäron en zijne zonen eten, en zij zullen het ongezuurd eten op de heilige plaats, in het voorhof van de tent der samenkomst;
6:17 zij zullen niets met zuurdeeg bakken, want het is hun deel, hetwelk Ik hun gegeven heb van mijn offer; het zal hun het allerheiligste zijn, gelijk het zondoffer en schuldoffer.
6:18 Al wat mannelijk is onder Aärons kinderen zal dat eten. Dit zij ene eeuwige inzetting bij uwe nakomelingen, aangaande de vuuroffers voor den Heer: niemand zal die aanraken, tenzij dat hij gewijd is.
6:19 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende:
6:20 Dit zal het offer van Aäron en zijne zonen zijn, hetwelk zij den Heer offeren zullen op den dag zijner zalving: het tiende deel van een efa meelbloem tot een dagelijks spijsoffer, de ene helft des morgens en de andere helft des avonds.
6:21 Gij zult het in ene pan met olie bereiden en het geroost brengen, en aan gebakken stukken zult gij het offeren tot een liefelijken reuk voor den Heer.
6:22 En de priester, die na hem uit zijne zonen in zijne plaats zal gezalfd worden, zal dat doen. Dit is ene eeuwige inzetting voor den Heer: het zal geheel verbrand worden;
6:23 want alle spijsoffer van een priester zal geheel verbrand en niet gegeten worden.
6:24 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende:
6:25 Spreek tot Aäron en zijne zonen, zeggende: Dit is de wet van het zondoffer: Ter plaatse, waar gij het brandoffer slacht, zult gij ook het zondoffer slachten voor den Heer; dit is het allerheiligste.
6:26 De priester, die dat zondoffer offert, zal het eten op de heilige plaats, in het voorhof van de tent der samenkomst.
6:27 Niemand zal dit vlees aanraken, tenzij dat hij gewijd is en wie met deszelfs bloed een kleed besprengt, zal het besprengde stuk wassen op de heilige plaats.
6:28 En den aarden pot, waarin het gekookt is, zal men aan stukken breken; maar is het een koperen pot, zo zal men hem schuren en met water spoelen.
6:29 Al wat mannelijk is onder de priesters zal daarvan eten; want het is het allerheiligste.
6:30 Maar alle zondoffer, waarvan het bloed in de tent der samenkomst gebracht wordt om in het heilige te verzoenen, zal men niet eten, maar met vuur verbranden.


Leviticus 7
7:1 En dit is de wet van het schuldoffer; het is het allerheiligste.
7:2 Ter plaatse, waar men het brandoffer slacht, zal men ook het schuldoffer slachten, en men zal van zijn bloed rondom tegen het altaar sprengen.
7:3 En al zijn vet zal men offeren, den staart, en het vet aan het ingewand;
7:4 de twee nieren met het vet, dat er aan is, aan de lendenen en het net over de lever, aan de nieren afgescheurd;
7:5 en de priester zal het op het altaar ontsteken tot een vuuroffer voor den Heer. Dit is het schuldoffer.
7:6 Al wat mannelijk is onder de priesters zal dat eten op de heilige plaats; want het is het allerheiligste.
7:7 Gelijk het zondoffer is, zo zal ook het schuldoffer zijn; van beide zal enerlei wet zijn; en het zal voor den priester zijn, die daarmede verzoent.
7:8 En voor den priester, die iemands brandoffer offert, zal de huid zijn van het brandoffer, dat hij geofferd heeft.
7:9 En alle spijsoffer, dat in den oven of op den rooster of in de pan gebakken is, zal voor den priester zijn, die het offert.
7:10 En alle spijsoffer, dat met olie gemengd of droog is, zal voor al de zonen van Aäron zijn, voor den een gelijk voor den ander.
7:11 En dit is de wet van het dankoffer, hetwelk men den Heer offert.
7:12 Willen zij een lofoffer brengen, zo zullen zij offeren ongezuurde koeken met olie gemengd, of ongezuurde vladen met olie bestreken, of gerooste koeken van meelbloem met olie gemengd.
7:13 En zij zullen bij dat offer doen een koek van gezuurd brood, tot een lof [offer] en dankoffer,
7:14 en zullen één van die alle voor den Heer tot een hefoffer brengen, en het zal voor den priester zijn, die het bloed des dankoffers sprengt.
7:15 En het vlees van hun lof [offer] en dankoffer zal op denzelfden dag, als het geofferd wordt, gegeten worden, en daarvan zal niets overgelaten worden tot den morgen.
7:16 En hetzij het ene gelofte of een vrijwillig offer zijn zal, zo zal het op dienzelfden dag als het geofferd wordt, gegeten worden; maar indien er iets van overblijft tot den anderen dag, zal men het evenwel mogen eten.
7:17 Maar wat van het geofferde vlees overblijft tot den derden dag, zal met vuur verbrand worden;
7:18 en indien iemand op den derden dag van het geofferde vlees zijns dankoffers eten zal, zo zal hij, die het geofferd heeft, niet aangenaam zijn, en het zal hem ook niet toegerekend worden; het zal een gruwel zijn, en wie daarvan eten zal, is aan ene misdaad schuldig.
7:19 En het vlees, dat met iets onreins in aanraking komt, zal niet gegeten maar met vuur verbrand worden; doch wie rein van lichaam is, mag het vlees eten.
7:20 En wie eten zal van het vlees des dankoffers, dat den Heer toebehoort, terwijl zijne onreinheid aan hem is, zal uit zijn volk uitgeroeid worden.
7:21 En wanneer iemand iets onreins aanraakt, hetzij een onrein mens of beest, of wat anders onrein is, en van het vlees des dankoffers, dat den Heer toebehoort, eet, zo zal hij uit zijn volk uitgeroeid worden.
7:22 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende:
7:23 Spreek tot de kinderen Israëls, zeggende: Gij zult geen vet van ossen, lammeren en geiten eten.
7:24 Het vet van een aas en wat door een wild dier verscheurd is, mag wel tot allerlei gebruik dienen, maar gij zult het niet eten;
7:25 want wie het vet van een beest, hetwelk den Heer tot een offer gegeven is, eet, zal uit zijn volk uitgeroeid worden.
7:26 Gij zult ook, waar gij woont, geen bloed eten, noch van vee noch van vogels:
7:27 wie enig bloed zal eten, zal uit zijn volk uitgeroeid worden.
7:28 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende:
7:29 Spreek tot de kinderen Israëls, zeggende: Wie den Heer zijn dankoffer brengen wil, zal ook medebrengen wat tot het dankoffer des Heren behoort.
7:30 Hij zal het met zijne hand aldaar brengen tot een offer voor den Heer, namelijk het vet aan de borst zal hij brengen, benevens de borst, om een beweegoffer te zijn voor den Heer;
7:31 en de priester zal dat vet op het altaar ontsteken; en de borst zal voor Aäron en zijne zonen zijn.
7:32 En den rechterschouder zult gij den priester tot een hefoffer van uwe dankoffers geven.
7:33 En wie van Aärons zonen het bloed des dankoffers en het vet offert, voor dien zal de rechterschouder tot zijn deel zijn;
7:34 want de beweegborst en den hefschouder heb Ik genomen van de kinderen Israëls uit hunne dankoffers, en heb die den priester Aäron en zijnen zonen gegeven tot een eeuwig recht.
7:35 Dit is het heilig deel van Aäron en zijne zonen van de offers des Heren, op dien dag, toen Hij hen deed naderen om priesters te zijn voor den Heer,
7:36 hetwelk de Heer gebood op dien dag, toen Hij hen zalfde, dat hun van de kinderen Israëls zou gegeven worden, tot ene eeuwige inzetting voor al hunne nakomelingen.
7:37 Dit is de wet van het brandoffer, van het spijsoffer, van het zondoffer, van het schuldoffer, van het inwijdingsoffer en van het dankoffer,
7:38 welke de Heer aan Mozes geboden heeft op den berg Sinaï, op den dag toen Hij hem gebood aangaande de kinderen Israëls, om hunne offers den Heer te offeren in de woestijn Sinaï.


Leviticus 8
8:1 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende:
8:2 Neem Aäron, en zijne zonen met hem, benevens hunne klederen, en de zalfolie, en een var tot een zondoffer, en twee rammen, en een korf met ongezuurde broden;
8:3 en vergader de gehele gemeente voor den ingang van de tent der samenkomst.
8:4 En Mozes deed, gelijk de Heer hem geboden had, en vergaderde de gemeente voor den ingang van de tent der samenkomst,
8:5 en sprak tot hen: Dit is het wat de Heer geboden heeft te doen.
8:6 En Mozes nam Aäron en zijne zonen, en wies hen met water,
8:7 en deed hem den linnen rok aan, en gordde hem met den gordel, en trok hem den purperen rok aan, en deed hem den lijfrok daarover aan, en gordde dien met den band des lijfroks;
8:8 en hij deed hem den borstlap aan, en in den borstlap de Urim en Tummim;
8:9 en hij zette hem den hoed op het hoofd, en voegde aan den hoed, boven aan zijn voorhoofd, de gouden plaat der heilige kroon, gelijk de Heer aan Mozes geboden had.
8:10 En Mozes nam de zalfolie, en zalfde de woning en al wat er in was, en wijdde haar;
8:11 en hij sprengde daarmede zevenmaal op het altaar en zalfde het altaar met al zijn gereedschap, het waschvat met zijn voetstuk, opdat het gewijd werd.
8:12 En hij goot van de zalfolie op Aärons hoofd en zalfde hem, opdat hij gewijd werd.
8:13 En hij deed Aärons zonen naderen, en trok hun linnen rokken aan, en gordde hen met den gordel, en bond hun mutsen op, gelijk de Heer hem geboden had.
8:14 En hij liet een var tot een zondoffer brengen, en Aäron en zijne zonen legden hunne handen op zijn hoofd.
8:15 Toen slachtte men dien, en Mozes nam van het bloed en deed het met zijnen vinger op de hoornen des altaars rondom, en ontzondigde het altaar, en goot het bloed uit aan den voet van het altaar en wijdde het, om het te verzoenen.
8:16 En hij nam al het vet aan het ingewand, het net over de lever, en de twee nieren met het vet daaraan, en ontstak het op het altaar;
8:17 maar den var met zijn huid, vlees en mest verbrandde hij met vuur buiten het leger, gelijk de Heer hem geboden had.
8:18 En hij deed een ram tot een brandoffer naderen, en Aäron en zijne zonen legden hunne handen op zijn hoofd.
8:19 Toen slachtte men dien, en Mozes sprengde van het bloed rondom tegen het altaar;
8:20 en hij deelde den ram in stukken, en ontstak het hoofd, de stukken en het vet;
8:21 en wies het ingewand en de schenkels met water, en ontstak alzo dien gehelen ram op het altaar Dit was een brandoffer tot een liefelijken reuk, een vuuroffer voor den Heer, gelijk de Heer hem geboden had.
8:22 En hij deed ook den anderen ram van het wijdingsoffer naderen, en Aäron en zijne zonen legden hunne handen op zijn hoofd.
8:23 Toen slachtte men dien, en Mozes nam van zijn bloed en deed het op Aärons rechteroorlap, en op den duim van zijne rechterhand, en op den groten teen van zijn rechtervoet;
8:24 ook deed hij Aärons zonen naderen, en deed van dat bloed op hun rechteroorlap, en op den duim van hunne rechterhand, en op den groten teen van hun rechtervoet en sprengde dat bloed rondom tegen het altaar.
8:25 En hij nam het vet en den staart, en al het vet aan het ingewand, en het net over de lever, en de twee nieren met het vet daaraan, en den rechterschouder;
8:26 daarbenevens nam hij uit den korf des ongezuurden broods voor den Heer een ongezuurden koek, en een koek geolied brood, en ene vlade, en hij legde het op het vet en op den rechterschouder;
8:27 en hij gaf dat alles in de handen van Aäron en van zijne zonen, en bewoog het tot een beweegoffer voor den Heer.
8:28 Daarna nam hij dat alles wederom van hunne handen en ontstak het op het altaar boven op het brandoffer; want het is een wijdingsoffer tot een liefelijken reuk, een vuuroffer voor den Heer.
8:29 En Mozes nam de borst van den ram van het wijdingsoffer, en bewoog ze tot een beweegoffer voor den Heer; en die werd Mozes ten deel, gelijk de Heer hem geboden had.
8:30 En Mozes nam van de zalfolie en van het bloed op het altaar, en sprengde het op Aäron en zijne klederen, op zijne zonen en op hunne klederen, en wijdde alzo Aäron en zijne klederen, en zijne zonen en hunne klederen met hem.
8:31 En hij sprak tot Aäron en zijne zonen: Kookt dat vlees voor den ingang van de tent der samenkomst, en eet het aldaar, benevens het brood uit den korf van het wijdingsoffer, gelijk mij geboden is, zeggende: Aäron en zijne zonen zullen dat eten.
8:32 Maar wat er van het vlees en het brood overblijft zult gij met vuur verbranden.
8:33 En gij zult in zeven dagen niet weggaan van voor den ingang van de tent der samenkomst, tot den dag, waarop de dagen uwer ambtswijding vervuld zijn; want zeven dagen zijn uwe handen gevuld.
8:34 Gelijk het op dezen dag geschied is, alzo heeft de Heer geboden te doen, opdat gij verzoend wordt.
8:35 En gij zult dag en nacht voor de tent der samenkomst blijven, zeven dagen lang, en zult de wacht des Heren waarnemen, opdat gij niet sterft; want Zó is het mij geboden.
8:36 En Aäron en zijne zonen deden al wat de Heer door Mozes geboden had.


Leviticus 9
9:1 En op den achtsten dag riep Mozes Aäron, zijne zonen en de oudsten van Israël;
9:2 en hij sprak tot Aäron: Neem een kalf tot een zondoffer en een ram tot een brandoffer, beide zonder gebrek, en breng ze voor den Heer.
9:3 En spreek tot de kinderen Israëls, zeggende: Neemt een geitebok tot een zondoffer, en een kalf en een lam, beide één jaar oud en zonder gebrek, tot een brandoffer;
9:4 en een os en een ram tot een dankoffer, om te offeren voor den Heer, en een spijsoffer met olie gemengd; want heden zal de Heer u verschijnen.
9:5 En zij namen hetgeen Mozes geboden had, Vóór den ingang van de tent der samenkomst; en de gehele gemeente naderde, en stond voor den Heer.
9:6 Toen sprak Mozes. Dit is het wat de Heer geboden heeft; doet het, zo zal de heerlijkheid des Heren u verschijnen.
9:7 En Mozes sprak tot Aäron: Nader tot het altaar en bereid uw zondoffer en uw brandoffer, en verzoen uzelf en het volk; bereid daarna het offer des volks, en verzoen het, gelijk de Heer geboden heeft.
9:8 En Aäron naderde tot het altaar, en slachtte het kalf tot zijn zondoffer;
9:9 en zijne zonen brachten het bloed tot hem, en hij doopte met zijnen vinger in dat bloed, en deed het op de hoornen van het altaar, en goot dat bloed uit aan den voet des altaars;
9:10 maar het vet en de nieren en het net van de lever aan het zondoffer ontstak hij op het altaar, gelijk de Heer aan Mozes geboden had;
9:11 en het vlees en de huid verbrandde hij met vuur buiten het leger
9:12 Daarna slachtte hij het brandoffer, en Aärons zonen brachten het bloed tot hem, en hij sprengde het rondom tegen het altaar;
9:13 en zij brachten het brandoffer tot hem, in stukken gedeeld, benevens het hoofd, en hij ontstak het op het altaar;
9:14 en hij wies het ingewand en de schenkels, en hij ontstak het boven het brandoffer op het altaar.
9:15 Daarna bracht hij ook het offer des volks, en hij nam den bok, het zondoffer des volks, en slachtte hem, en bereidde daarvan een zondoffer, gelijk het vorige.
9:16 Toen bracht hij het brandoffer aan, en bereidde het volgens het voorschrift.
9:17 En hij bracht het spijsoffer aan, en nam daarvan een handvol, en ontstak het op het altaar, benevens het morgenbrandoffer.
9:18 Daarna slachtte hij den os en den ram tot een dankoffer des volks; en zijne zonen brachten hem het bloed, en dat sprengde hij rondom tegen het altaar;
9:19 maar het vet van den os en van den ram, den staart, en het vet aan het ingewand, en de nieren, en het vet over de lever:
9:20 al dat vet leiden zij op de borsten, en hij ontstak dat vet op het altaar;
9:21 maar de borsten en den rechterschouder bewoog Aäron tot een beweegoffer voor den Heer, gelijk de Heer aan Mozes geboden had.
9:22 En Aäron hief zijne handen op tot het volk en zegende het, en hij klom af, toen hij het zondoffer, brandoffer en dankoffer verricht had.
9:23 En Mozes en Aäron gingen in de tent der samenkomst; en toen zij er weder uitgingen, zegenden zij het volk. Toen verscheen de heerlijkheid des Heren aan al het volk;
9:24 want een vuur ging uit van den Heer, en verteerde op het altaar het brandoffer en het vet. Toen al het volk dat zag, juichten zij en vielen op hun aangezicht.


Leviticus 10
10:1 En de zonen van Aäron, Nadab en Abihu, namen elk zijn wierookvat en deden er vuur in, en legden er reukwerk op, en brachten vreemd vuur voor den Heer, hetwelk Hij hun niet geboden had.
10:2 Toen ging er een vuur uit van den Heer en verteerde hen, zodat zij stierven voor den Heer.
10:3 En Mozes sprak tot Aäron: Dit is het wat de Heer gezegd heeft: Ik zal mijne heiligheid bewijzen aan degenen die tot Mij naderen, en voor al het volk zal Ik mijne heerlijkheid tonen. En Aäron zweeg stil.
10:4 Toen riep Mozes Misaël en Elzafan, de zonen van Uzziël, Aärons oom, en sprak tot hen: Treedt toe en draagt uwe broeders weg van het heiligdom tot buiten het leger.
10:5 En zij traden toe en droegen hen weg in hunne linnen rokken tot buiten het leger, gelijk Mozes gezegd had.
10:6 Toen sprak Mozes tot Aäron en zijne zonen Eleazar en Ithamar: Gij zult uwe hoofden niet ontbloten noch uwe klederen scheuren, opdat gij niet sterft en er geen toorn kome over de gehele gemeente maar laat uwe broeders, het gehele huis Israëls, wenen over dezen brand, dien de Heer ontstoken heeft.
10:7 Gij echter zult niet weggaan van den ingang van de tent der samenkomst, gij mocht anders sterven, want de zalfolie des Heren is op u. En zij deden gelijk Mozes zeide.
10:8 De Heer nu sprak tot Aäron, zeggende:
10:9 Gij, en uwe zonen met u, zult geen wijn noch sterken drank drinken, wanneer gij in de tent der samenkomst gaat, opdat gij niet sterft. Dit zij ene eeuwige inzetting voor al uw nakomelingen,
10:10 opdat gij kunt onderscheiden wat heilig en onheilig, wat onrein en rein is;
10:11 en opdat gij den kinderen Israëls alle rechten leert, welke de Heer door Mozes tot u gesproken heeft.
10:12 En Mozes sprak tot Aäron, en tot zijne overgebleven zonen Eleazar en Ithamar: Neemt van de offers des Heren wat overgebleven is van het spijsoffer, en eet het ongezuurd bij het altaar, want het is het allerheiligste.
10:13 En gij zult het op de heilige plaats eten, want dit is uw recht en het recht uwer zonen van de offers des Heren alzo toch is mij geboden.
10:14 Maar de beweegborst en den hefschouder zult gij, en uwe zonen en uwe dochters met u, eten aan ene reine plaats, want aan u en uwe kinderen is dit recht gegeven van de dankoffers der kinderen Israëls.
10:15 Want de hefschouder en de beweegborst worden bij de offers van het vet gebracht, om tot een beweegoffer bewogen te worden voor den Heer; daarom is het u en uwen kinderen met u tot een eeuwig recht, gelijk de Heer geboden heeft.
10:16 En Mozes zocht den bok des zondoffers, en vond hem verbrand. Toen werd hij toornig op Eleazar en Ithamar, Aärons zonen, die nog over waren, zeggende:
10:17 Waarom hebt gij dat zondoffer niet gegeten op de heilige plaats, daar het het allerheiligste is, en het u gegeven is, opdat gij de misdaad der gemeente zoudt dragen, om haar te verzoenen voor den Heer?
10:18 Zie, zijn bloed is niet binnen in het heilige gekomen; gij moest het in het heilige gegeten hebben, gelijk mij geboden is.
10:19 Maar Aäron sprak tot Mozes: Zie, heden hebben zij hun zondoffer en hun brandoffer voor den Heer geofferd, en het is mij dus gegaan, gelijk gij ziet en zou ik dan heden van het zondoffer eten? Zou dat den Heer behagen?
10:20 Toen Mozes dit hoorde, nam hij er genoegen in.


Leviticus 11
11:1 En de Heer sprak tot Mozes en Aäron, zeggende tot hen:
11:2 Spreekt tot de kinderen Israëls, zeggende: Dit zijn de dieren, welke gij eten zult van al het gedierte op de aarde.
11:3 Al wat onder de dieren den klauw gespleten heeft en herkauwt, zult gij eten.
11:4 Maar wat herkauwt, en wel klauwen heeft, maar ongespleten, als de kameel, zal u onrein zijn, en gij zult het niet eten;
11:5 de konijnen herkauwen wel, maar hebben geen gespleten klauwen: daarom zijn zij u onrein.
11:6 De haas herkauwt ook, maar hij heeft geen gespleten klauwen: daarom is hij u onrein.
11:7 En een zwijn heeft wel gespleten klauwen, maar het herkauwt niet: daarom zal het u onrein zijn.
11:8 Het vlees van deze zult gij niet eten, noch hun aas aanraken, want zij zijn u onrein.
11:9 Dit zult gij eten van hetgeen in de wateren is; al wat in de wateren, in zeeën en beken, vinnen en schubben heeft, zult gij eten;
11:10 maar al wat in zeeën en beken, van al wat zich in het water roert en van al wat in het water leeft, geen vinnen en schubben heeft, zal u een verfoeisel zijn.
11:11 Een verfoeisel zijn zij u: gij zult van hun vlees niet eten en hun aas verfoeien.
11:12 Want al wat in de wateren geen vinnen noch schubben heeft, zult gij verfoeien.
11:13 En van de vogels zult gij deze verfoeien; zij zullen niet gegeten worden: de arend, de havik, de meeuw;
11:14 de gier, de ekster, en wat van hunne soort is;
11:15 en alle raven, naar hunne soorten;
11:16 de struis, de nachtuil, de koekoek, de sperwer, naar hunne soorten;
11:17 de steenuil, de zwaan, de uhu;
11:18 de vledermuis, de roerdomp, de reiger;
11:19 de ooievaar, de wouw, naar zijne soorten; de hop en de zwaluw.
11:20 Ook alles van het gevogelte, dat kruipt en op vier voeten gaat, zal u een verfoeisel zijn.
11:21 Echter moogt gij dit eten van het gevogelte, dat kruipt, op vier voeten gaat, en hetwelk boven aan zijne voeten schenkels heeft om daarmede op de aarde te springen;
11:22 van deze moogt gij de volgende eten: de arbé, de solam, de hargol, en de hagab, in hunne soorten.
11:23 Maar al wat overigens van het gevogelte vier voeten heeft, zal u een verfoeisel zijn;
11:24 en gij zult ze onrein achten. Wie het aas van deze aanraakt, zal onrein zijn tot den avond;
11:25 en wie een aas van deze dragen zal, zal zijne klederen wassen, en zal onrein zijn tot den avond.
11:26 Al het gedierte dus, dat klauwen heeft, maar niet gespleten, en niet herkauwt, zal u onrein zijn; en wie het aanraakt zal onrein zijn.
11:27 En al wat op klauwen gaat onder alle dieren, die op vier voeten gaan, zal u onrein zijn. Wie hun aas aanraakt, zal onrein zijn tot den avond;
11:28 en wie hun aas draagt, zal zijne klederen wassen en onrein zijn tot den avond; want zij zijn u onrein.
11:29 Voorts zullen u ook onrein zijn van de dieren, die op de aarde kruipen: het wezeltje, de muis, de pad, elk in zijne soorten;
11:30 de egel, de krokodil, de hagedis, de slak en de mol;
11:31 deze zijn u onrein van al wat kruipt. Wie hun aas aanraakt, zal onrein zijn tot den avond.
11:32 En alles, waarop zulk een dood aas valt, is onrein, hetzij allerlei houten vaatwerk, of klederen, of vel, of zak, en alle gereedschap, waar men iets mede doet; men zal het in het water steken, en het is onrein tot den avond; alsdan wordt het rein.
11:33 Allerlei aarden vaatwerk, waarin iets van deze valt, wordt onrein met al wat er in is, en gij zult het in stukken breken.
11:34 Alle spijs, die men eet, zo daar zulk water inkomt, is onrein; en alle drank, dien men drinkt en die in zulke vaten is, is onrein.
11:35 En alles, waarop zulk een aas valt, wordt onrein; hetzij oven of ketel; men zal het in stukken breken, want het is onrein en het zal u onrein zijn.
11:36 Doch de fonteinen of regenbakken en vijvers zijn rein; maar wie hun aas aanraakt, is onrein.
11:37 En indien zulk een aas op het zaad valt, hetwelk men gezaaid heeft, zo is dat echter rein;
11:38 maar wanneer men water over het zaad goot, en daarna zulk een aas daarop viel, zo zou het ulieden onrein zijn.
11:39 Wanneer een dier, hetwelk gij eten moogt, sterft, wie dat aas aanraakt, is onrein tot den avond.
11:40 Wie van zulk een aas eet, zal zijne klederen wassen en zal onrein zijn tot den avond, zo ook wie zulk een aas draagt, zal zijne klederen wassen en onrein zijn tot den avond.
11:41 Wat op de aarde kruipt, zal u een verfoeisel zijn, en men zal het niet eten.
11:42 En al wat op den buik kruipt, en al wat op vier of meer voeten gaat, van al wat op de aarde kruipt, zult gij niet eten, want het zal u een verfoeisel zijn.
11:43 Maakt uwe zielen niet verfoeielijk, en verontreinigt u niet door deze, dat gij u besmet;
11:44 want Ik ben de Heer, uw God. Daarom zult gij u heiligen, opdat gij heilig zijt, want Ik ben heilig, en gij zult uwe zielen niet verontreinigen door enig kruipend gedierte, dat zich op de aarde roert;
11:45 want Ik ben de Heer, die u uit Egypteland gevoerd heb, opdat Ik uw God zij. Daarom zult gij heilig zijn, want Ik ben heilig.
11:46 Dit is de wet van de dieren en vogels, en van allerlei kruipend gedierte in de wateren, en van allerlei dieren, die op de aarde kruipen,
11:47 opdat gijlieden onderscheiden kunt wat onrein en rein is, en welk dier men eten en welk men niet eten mag.


Leviticus 12
12:1 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende:
12:2 Spreek met de kinderen Israëls, zeggende; Wanneer ene vrouw zwanger wordt en een jongsken baart, zo zal zij zeven dagen onrein zijn, zolang hare krankheid duurt.
12:3 En op den achtsten dag zal men het vlees zijner voorhuid besnijden.
12:4 En zij zal drie en dertig dagen te huis blijven, gedurende het bloed harer reiniging; niets heiligs zal zij aanraken, en tot het heiligdom zal zij niet komen, eer de dagen harer reiniging om zijn.
12:5 Maar baart zij een meisje, zo zal zij twee weken onrein zijn, zolang hare krankheid duurt; en zij zal zes en zestig dagen te huis blijven, gedurende het bloed harer reiniging.
12:6 En wanneer de dagen harer reiniging om zijn, voor den zoon of voor de dochter, zo zal zij een éénjarig lam tot een brandoffer en ene jonge duif of ene tortelduif tot een zondoffer brengen tot den priester, voor den ingang van de tent der samenkomst.
12:7 Die zal dat offeren voor den Heer, en haar verzoenen; dan wordt zij rein van haren vloed. Dit is de wet voor ene vrouw, die een jongsken of meisje baart.
12:8 Maar is een lam boven haar vermogen, zo neme zij twee tortelduiven of twee jonge duiven, de ene tot een brandoffer, de andere tot een zondoffer; zo zal de priester haar verzoenen, opdat zij rein worde.


Leviticus 13
13:1 En de Heer sprak tot Mozes en Aäron, zeggende:
13:2 Wanneer zich aan een mens een gezwel in de huid zijns vleses opdoet, of ene zweer of ene blaar, als wilde daar melaatschheid in de huid zijns vleses uit worden, zo zal men hem tot den priester Aäron of tot een van zijne zonen onder de priesters brengen.
13:3 En wanneer de priester, de plaag in de huid des vleses ziende, bevindt, dat de haren in wit veranderd zijn, en het aanzien der plaats dieper is dan de andere huid zijns vleses, zo is het gewis de melaatschheid; zodra de priester dit ziet, zal hij hem onrein verklaren.
13:4 Maar indien de blaar in de huid zijns vleses wit is, en nochtans het aanzien niet dieper is dan de andere huid zijns vleses, en de haren niet in wit veranderd zijn, zo zal de priester hem zeven dagen opsluiten.
13:5 En op den zevenden dag zal hij hem bezien. Is het nu, dat de plaag blijft, gelijk hij haar te voren gezien heeft, en zij zich niet verder verspreid heeft in de huid, zo zal de priester hem wederom zeven dagen opsluiten.
13:6 En als hij hem ten tweeden male op den zevenden dag beziet, en bevindt, dat de ontsteking verdwenen is, en zich niet verder heeft verspreid in de huid, zo zal hij hem rein verklaren, want het is slechts ene verzwering; en hij zal zijne klederen wassen, zo is hij rein.
13:7 Maar als de verzwering zich verder verspreidt in de huid, nadat hij door den priester bezien en rein verklaard is, zo zal hij andermaal door den priester bezien worden.
13:8 En als de priester dan ziet, dat de verzwering zich verder in de huid verspreid heeft, zo zal hij hem onrein verklaren, want het is gewis de melaatschheid.
13:9 Wanneer de plaag der melaatschheid aan een mens zijn zal, zo zal men hem tot den priester brengen.
13:10 Als deze ziet en bevindt, dat het in de huid wit uitgeslagen, en het haar in wit veranderd, en er rauw vlees in het gezwel is,
13:11 zo is het gewis een oude melaatschheid in de huid zijns vleses. Daarom zal de priester hem onrein verklaren, en hem niet opsluiten, want hij is reeds onrein.
13:12 Maar als de melaatschheid in de huid uitbot, en de gehele huid, van het hoofd tot de voeten, en al wat den priester voor de ogen komt, bedekt;
13:13 en wanneer de priester dat ziet, en bevindt, dat de melaatschheid het gehele vlees bedekt heeft, zo zal hij hem rein verklaren, dewijl het alles aan hem in wit veranderd is, want hij is rein.
13:14 Maar is er op dien dag, als hij bezien wordt, rauw vlees in, zo is hij onrein.
13:15 En wanneer de priester het rauwe vlees ziet, zo zal hij hem onrein verklaren; want hij is onrein, en het is gewis de melaatschheid.
13:16 Maar verdwijnt het rauwe vlees, en wordt het in wit veranderd, zo zal hij tot den priester gaan;
13:17 en als de priester hem beziet, en bevindt, dat de plaag in wit veranderd is, zo zal hij hem rein verklaren, want hij is rein.
13:18 Als er in de huid van iemands vlees ene zweer ontstaat en weder geneest,
13:19 en daarna op dezelfde plaats iets wits opkomt, of ene roodachtig witte blaar ontstaat, zo zal hij door den priester bezien worden.
13:20 En wanneer nu de priester ziet, dat het aanzien daarvan dieper dan de andere huid, en het haar in wit veranderd is, zo zal hij hem onrein verklaren; want het is gewis de plaag der melaatschheid, die uit de zweer ontstaan is.
13:21 Maar ziet de priester en vindt hij, dat de haren niet wit zijn, en dat het niet dieper dan de andere huid en verdwenen is, zo zal hij hem zeven dagen opsluiten.
13:22 Verspreidt het zich verder in de huid, zo zal hij hem onrein verklaren; want het is gewis de plaag der melaatschheid.
13:23 Maar blijft de blaar alzo staan, en verspreidt zij zich niet verder, zo is het slechts de roof van de zweer, en de priester zal hem rein verklaren.
13:24 Wanneer iemand zich de huid aan het vuur brandt, en de gebrande plaats roodachtig of wit is,
13:25 en de priester hem beziet, en bevindt, dat de haren op de gebrande plaats in wit veranderd zijn, en het aanzien daarvan dieper dan de andere huid is, zo is gewis de melaatschheid uit dien brand ontstaan. Daarom zal de priester hem onrein verklaren, want het is de plaag der melaatschheid.
13:26 Maar ziet en bevindt de priester, dat de haren op de gebrande plaats niet in wit veranderd zijn, en de plek niet dieper dan de andere huid en bovendien verdwenen is, zo zal hij hem zeven dagen opsluiten.
13:27 En op den zevenden dag zal hij hem bezien; heeft het zich verder in de huid verspreid, zo zal hij hem onrein verklaren, want het is de melaatschheid.
13:28 Maar is het op die plek gebleven, en heeft het zich niet verder in de huid verspreid, en is het daarenboven verdwenen, zo is het slechts een gezwel; en de priester zal hem rein verklaren, want het is de roof van den brand.
13:29 Wanneer een man of vrouw op het hoofd of aan den baard uitslag heeft,
13:30 en de priester de plaag beziet, en bevindt, dat het aanzien daarvan dieper dan de andere huid, en het haar aldaar geelachtig en dun is, zo zal hij hem onrein verklaren; want het is een melaatse uitslag van het hoofd of van den baard.
13:31 Maar ziet de priester, dat het aanzien van den uitslag niet dieper dan de huid, en het haar niet zwartachtig is, zo zal hij hem zeven dagen opsluiten.
13:32 En als hij hem op den zevenden dag beziet, en bevindt, dat de uitslag zich niet verder verspreid heeft, en aldaar geen geelachtig haar, en het aanzien van den uitslag niet dieper dan de andere huid is,
13:33 zo zal hij zich doen scheren, maar de plaats van den uitslag zal hij niet scheren; en de priester zal hem wederom zeven dagen opsluiten.
13:34 En als hij hem op den zevenden dag beziet, en bevindt, dat de uitslag zich niet verder in de huid verspreid heeft, en het aanzien daarvan niet dieper dan de andere huid is, zo zal de priester hem rein verklaren; en hij zal zijne klederen wassen, want hij is rein.
13:35 Maar indien de uitslag zich verder in de huid verspreidt, nadat hij rein verklaard is,
13:36 en de priester beziet hem, en bevindt, dat de uitslag zich aldus verder in de huid verspreid heeft, zo zal hij het niet meer achten, dat de haren geelachtig zijn, want hij is onrein.
13:37 Maar is de uitslag, zoveel hij zien kan, staande gebleven, en zwartachtig haar aldaar te voorschijn gekomen, zo is de uitslag genezen, en hij is rein; en de priester zal hem rein verklaren.
13:38 Wanneer een man of ene vrouw aan de huid van hun vlees witte blaren hebben,
13:39 en de priester ziet, dat het wit aldaar verdwijnt, dan is slechts een witte uitslag in de huid opgekomen, en hij is rein.
13:40 Als de hoofdharen een man uitvallen, zodat hij kaal wordt, hij is rein.
13:41 Vallen zij hem aan het voorhoofd uit, zodat hij ene kale plek krijgt, hij is rein.
13:42 Maar doet zich in de plek, of waar hij kaal is, ene witte of roodachtige ontsteking op, zo is de melaatschheid in de plek of in de kaalheid van het hoofd opgekomen.
13:43 Daarom zal de priester hem bezien, en als hij bevindt, dat er ene witte of roodachtige ontsteking in de plek of in de kaalheid van zijn hoofd opgelopen is, en dat zij er uitziet als anders de melaatschheid in de huid,
13:44 dan is hij melaats en onrein, en de priester zal hem onrein verklaren vanwege de ontsteking op zijn hoofd.
13:45 Wie nu melaats is, diens klederen zullen gescheurd worden, en het hoofd zal ontbloot en de lippen zullen omwonden worden, en hij zal roepen: Onrein, onrein!
13:46 En zolang die plaag aan hem is, zal hij onrein zijn, alleen wonen, en zijne woning zal buiten het leger zijn.
13:47 Wanneer aan een kleed de plaag der melaatschheid zijn zal, hetzij een wollen of een linnen kleed,
13:48 aan den scheerdraad of aan den inslag, hetzij van linnen of van wol, of aan een vel, of aan iets, dat van vellen gemaakt wordt;
13:49 en als dan de plaag aan het kleed, of aan het vel, of aan den scheerdraad, of aan den inslag, of aan enige zaak, die van vellen gemaakt is, groenachtig of roodachtig is, dat is gewis de plaag der melaatschheid; zij zal den priester vertoond worden.
13:50 En als hij die plaag ziet, zal hij hetgeen, waaraan zij is, zeven dagen opsluiten.
13:51 En als hij op den zevenden dag ziet, dat het kwaad zich verspreid heeft aan het kleed, aan den scheerdraad, den inslag, of aan het vel, of aan iets, dat men van vellen maakt, zo is het ene hardnekkige melaatschheid, en het is onrein.
13:52 En men zal dat kleed, of dien scheerdraad, of dien inslag, hetzij van wol of van linnen, of alle velwerk, waarin zulk een kwaad is, verbranden, want het is ene hardnekkige melaatschheid; men zal het met vuur verbranden.
13:53 Maar indien de priester zien zal, dat het kwaad zich niet heeft uitgebreid aan het kleed, of aan den scheerdraad, of aan den inslag, of aan enig velwerk,
13:54 zo zal hij gebieden, dat men datgene, waaraan dat teken is, wasse, en hij zal het andermaal zeven dagen opsluiten.
13:55 En als de priester, nadat het gewassen is, zien zal, dat het kwaad niet veranderd is, zich ook niet verder verspreid heeft, zo is het onrein, en gij zult het met vuur verbranden; want het is diep ingevreten, en heeft het voor of achter kaal gemaakt.
13:56 Maar als de priester ziet, dat de aangestoken plaats, nadat zij zal gewassen zijn, verdwenen is, zal hij ze van het kleed, van het vel, van den scheerdraad, of van den inslag afscheuren.
13:57 Maar zo het nog aan het kleed, aan den scheerdraad, aan den inslag, of aan enig velwerk gezien wordt, dan is het ene smet, en gij zult datgene, waarin zulk kwaad is, met vuur verbranden.
13:58 Maar het kleed, of den scheerdraad, of den inslag, of alle velwerk, dat gewassen is en waarvan dat kwaad geweken is, zal men andermaal wassen, zo is het rein.
13:59 Dit is wet van de plaag der melaatschheid aan klederen van wol of van linnen, aan den scheerdraad en aan den inslag, en aan alle velwerk, om die rein of onrein te verklaren.


Leviticus 14
14:1 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende:
14:2 Dit is de wet aangaande den melaatse, als hij zal gereinigd worden. Hij zal tot den priester komen.
14:3 En de priester zal buiten het leger gaan, en bezien, hoe de plaag der melaatschheid aan den melaatse genezen is.
14:4 En hij zal dengene, die zich ter reiniging aanbiedt, gelasten, dat hij twee levende vogels neme, benevens cederhout, en scharlakenkleurige wol, en hysop.
14:5 Ook zal hij gebieden den enen vogel in een aarden vat boven levend water te slachten.
14:6 En hij zal den levenden vogel nemen, benevens het cederhout, de scharlakenkleurige wol en den hysop, en die dompelen in het bloed des vogels, die boven het levende water geslacht is;
14:7 en hem, die zich ter reiniging van de melaatschheid aanbiedt, zevenmaal besprengen; en hem alzo reinigen, en den levenden vogel in het open veld laten vliegen.
14:8 De gereinigde nu zal zijne klederen wassen en al zijn haar afscheren, en zich met water baden, zo is hij rein: daarna ga hij in het leger, doch hij zal zeven dagen buiten zijne hut blijven.
14:9 En op den zevenden dag zal hij al zijn haar op het hoofd, aan den baard en aan de wenkbrauwen zijner ogen afscheren, zodat alle haren afgeschoren zijn; en hij zal zijne klederen wassen en zijn vlees met water baden; dan is hij rein.
14:10 En op den achtsten dag zal hij twee lammeren, zonder gebrek, en een éénjarig schaap, zonder gebrek nemen, en drie tienden meelbloem, met olie gemengd, en een log olie tot een spijsoffer.
14:11 Alsdan zal de priester den gereinigde zelven en deze dingen stellen voor den Heer, voor den ingang van de tent der samenkomst.
14:12 En hij zal het ene lam nemen, en tot een schuldoffer offeren met den log olie, en zal het voor den Heer bewegen.
14:13 Daarna zal hij dat lam slachten ter plaatse, waar men het zondoffer en brandoffer slacht, namelijk in de heilige plaats, want gelijk het zondoffer, zo is ook het schuldoffer voor den priester; want het is het allerheiligste.
14:14 En de priester zal van het bloed des schuldoffers nemen, en het den gereinigde aan den lap van het rechteroor, en op den duim van zijne rechterhand, en op den groten teen van zijn rechtervoet doen.
14:15 Daarna zal hij van de olie uit den log nemen en daarvan in zijne eigene linkerhand gieten.
14:16 En hij zal zijnen rechtervinger in de olie dopen, die in zijne linkerhand is, en met zijnen vinger de olie zevenmaal voor den Heer sprengen.
14:17 Maar van de overige olie in zijne hand zal hij den gereinigde aan den lap van het rechteroor, en op den rechterduim, en op den groten teen van zijn rechtervoet, boven op het bloed des schuldoffers doen.
14:18 Maar de overige olie in zijne hand zal hij op het hoofd des gereinigden doen, en hem verzoenen voor den Heer.
14:19 Voorts zal hij het zondoffer bereiden, en den gereinigde vanwege zijne onreinheid verzoenen; en daarna zal hij het brandoffer slachten,
14:20 en zal het op het altaar offeren, benevens het spijsoffer, en hem verzoenen; dan is hij rein.
14:21 Maar is hij arm en verdient hij met zijne hand zoveel niet, zo neme hij één lam tot een schuldoffer ter beweging, om hem te verzoenen, en één tiende meelbloem met olie gemengd, en één log olie, tot een spijsoffer;
14:22 en twee tortelduiven of twee jonge duiven, die hij met zijne hand verdienen kan, van welke de ene zij een zondoffer, de andere een brandoffer.
14:23 En hij brenge die op den achtsten dag zijner reiniging tot den priester, voor den ingang van de tent der samenkomst voor den Heer.
14:24 Dan zal de priester het lam des schuldoffers en den log olie nemen, en hij zal het alles bewegen voor den Heer.
14:25 Vervolgens zal hij het lam des schuldoffers slachten, en van het bloed des schuldoffers nemen, en het den gereinigde aan den lap van zijn rechteroor, en op den duim van zijne rechterhand, en op den groten teen van zijn rechtervoet doen,
14:26 en van die olie in zijne eigene linkerhand gieten,
14:27 en met zijnen rechtervinger de olie, die in zijne linkerhand is, zevenmaal voor den Heer sprengen.
14:28 Maar van de overige olie in zijne hand zal hij den gereinigde aan den lap van zijn rechteroor, en op den duim van zijne rechterhand, en op den groten teen van zijn rechtervoet, boven op het bloed des schuldoffers doen.
14:29 Maar de overige olie in zijne hand zal hij den gereinigde op het hoofd doen, om hem te verzoenen voor den Heer.
14:30 Daarna zal hij van de ene tortelduif of jonge duif, welke zijne hand heeft mogen verdienen,
14:31 een zondoffer, en van de andere een brandoffer, tegelijk met het spijsoffer, bereiden; en alzo zal de priester den gereinigde verzoenen voor den Heer.
14:32 Dit is de wet voor den melaatse, die met zijne hand niet verdienen kan wat tot zijne reiniging behoort.
14:33 En de Heer sprak tot Mozes en Aäron, zeggende:
14:34 Als gij in het land Kanaän zult gekomen zijn, hetwelk Ik u tot ene bezitting geven zal, en Ik in enig huis van het land uwer bezitting de plaag der melaatschheid brengen zal,
14:35 zo zal hij, van wien dat huis is, komen en het den priester te kennen geven, zeggende: Mij dunkt, dat de plaag in mijn huis is.
14:36 Alsdan zal de priester gelasten, dat zij dat huis ruimen, eer de priester er ingaat om de plaag te bezien, opdat niet al wat in dat huis is onrein worde; daarna zal de priester er ingaan om dat huis te bezien.
14:37 Als hij nu de plaag beziet, en bevindt, dat aan de wanden van dat huis groenachtige of roodachtige kuiltjes zijn, wier aanzien dieper is dan de wand,
14:38 zo zal hij de deur van het huis uitgaan, en dat huis zeven dagen toesluiten.
14:39 En als hij op den zevenden dag wederkomt, en ziet, dat de plaag zich verder aan de wanden van dat huis verspreid heeft,
14:40 zo zal hij gelasten, dat zij de stenen, in welke die plaag is, uitbreken, en ze buiten de stad aan ene onreine plaats werpen;
14:41 en dat huis zal men van binnen rondom doen afschrappen, en zij zullen het afgeschrapte leem buiten de stad aan ene onreine plaats uitstorten,
14:42 en andere stenen nemen en ze in de plaats der eerste stellen, en ander leem nemen en dat huis bestrijken.
14:43 Wanneer dan het kwaad wederkomt en aan dat huis uitbreekt, nadat men de stenen uitgebroken en dat huis opnieuw bestreken heeft,
14:44 zo zal de priester er ingaan; en als hij ziet, dat het kwaad zich verder in dat huis verspreid heeft, zo is er gewis ene hardnekkige melaatschheid in dat huis, en het is onrein.
14:45 Daarom zal men dat huis, zijne stenen en zijn hout, en al het leem van dat huis, afbreken, en men zal het buiten de stad aan ene onreine plaats uitvoeren.
14:46 En wie in dat huis gaat, zolang het gesloten is, is onrein tot den avond;
14:47 en wie in dat huis slaapt of daarin eet, zal zijne klederen wassen.
14:48 Maar als de priester, er ingaande, ziet, dat het kwaad zich niet verder verspreid heeft in dat huis, nadat het huis bestreken is, zo zal hij het rein verklaren, want de plaag is genezen.
14:49 En hij zal tot een zondoffer voor dat huis twee vogels nemen, benevens cederhout, scharlakenkleurige wol en hysop;
14:50 en hij zal den enen vogel in een aarden vat boven levend water slachten.
14:51 Dan zal hij het cederhout, de scharlakenkleurige wol, den hysop en den levenden vogel nemen, en die in het bloed des geslachten vogels en in het levend water dopen, en dat huis zevenmaal besprengen.
14:52 Alzo zal hij dat huis met het bloed des vogels, en met het levende water, met den levenden vogel, met het cederhout, met den hysop en met de scharlakenkleurige wol ontzondigen.
14:53 En den levenden vogel zal hij buiten voor de stad in het open veld laten vliegen en dat huis verzoenen; dan is het rein.
14:54 Dit is de wet voor allerlei plaag der melaatschheid en uitslag;
14:55 voor de melaatschheid der klederen en der huizen;
14:56 voor gezwellen, verzweringen en blaren,
14:57 opdat men wete, wanneer iets onrein of rein is. Dit is de wet van de melaatschheid.


Leviticus 15
15:1 En de Heer sprak tot Mozes en Aäron, zeggende:
15:2 Spreekt tot de kinderen Israëls en zegt tot hen: Ieder man, die een vloed in zijn vlees heeft, is onrein.
15:3 Maar alsdan is hij onrein om dezen vloed, als zijn vlees van dien vloed ettert of verstopt is.
15:4 Alle legerstede, waarop hij, die den vloed heeft, ligt, en alles waarop hij zit, is onrein.
15:5 En wie zijne legerstede aanraakt, zal zijne klederen wassen en zich met water baden, en onrein zijn tot den avond.
15:6 En wie zitten gaat, waar hij gezeten heeft, zal zijne klederen wassen en zich met water baden, en onrein zijn tot den avond.
15:7 Wie zijn vlees aanraakt, zal zijne klederen wassen en zich met water baden, en onrein zijn tot den avond.
15:8 Als hij, die den vloed heeft, zijn speeksel werpt op dengene, die rein is, zo zal deze zijne klederen wassen en zich met water baden, en onrein zijn tot den avond.
15:9 En alle zadeltuig, waarop hij rijdt, die den vloed, heeft, zal onrein zijn.
15:10 En wie iets aanraakt, hetgeen hij onder zich gehad heeft, zal onrein zijn tot den avond; en wie dat draagt, zal zijne klederen wassen en zich met water baden, en onrein zijn tot den avond.
15:11 En wien hij, die den vloed heeft, aanraakt, eer hij de handen wast, zal zijne klederen wassen en zich met water baden, en onrein zijn tot den avond.
15:12 En alle aarden vat, dat hij, die den vloed heeft, aanraakt, zal men breken, maar het houten vat zal men met water spoelen.
15:13 En als hij van zijnen vloed gereinigd wordt, zo zal hij, nadat hij rein geworden is, zeven dagen tellen, en zijne klederen wassen, en zijn vlees met levend water baden; dan is hij rein.
15:14 En op den achtsten dag zal hij twee tortelduiven of twee jonge duiven nemen, en ze voor den Heer aan den ingang van de tent der samenkomst brengen, en ze den priester geven.
15:15 En de priester zal de ene tot een zondoffer en de andere tot een brandoffer bereiden, en hem vanwege zijnen vloed voor den Heer verzoenen.
15:16 Als het zaad enen man in den slaap ontgaat, zal hij zijn gehele lichaam met water baden, en onrein zijn tot den avond.
15:17 En alle kleed en alle vel, dat met dat zaad bevlekt is, zal hij met water wassen, en het zal onrein zijn tot den avond.
15:18 Ook, wanneer zodanig een man bij ene vrouw gelegen heeft, zo zullen zij zich met water baden, en onrein zijn tot den avond.
15:19 Als ene vrouw hare stonden heeft, dan zal zij zeven dagen afgezonderd worden; en wie haar aanraakt, zal onrein zijn tot den avond.
15:20 En alles, waarop zij ligt, zolang zij haren tijd heeft, zal onrein zijn, en waarop zij zit, zal onrein zijn.
15:21 En wie hare legerstede aanraakt, zal zijne klederen wassen en zich met water baden, en onrein zijn tot den avond.
15:22 En wie iets aanraakt, waarop zij gezeten heeft, zal zijne klederen wassen en zich met water baden, en onrein zijn tot den avond.
15:23 En wie iets, aanraakt, dat over hare legerstede, of over de zitplaats, op welke zij gezeten heeft, was, zal onrein zijn tot den avond.
15:24 En als een man bij haar ligt, en haar tijd komt haar bij hem aan, dan zal hij zeven dagen onrein zijn; en de legerstede, op welke hij gelegen heeft, zal onrein zijn.
15:25 Maar als ene vrouw een langen tijd haren vloed heeft, niet alleen op den gewonen tijd, maar ook boven den gewonen tijd, zo zal zij, gelijk ten tijde van hare afzondering, onrein zijn, zolang zij vloeit.
15:26 Alle legerstede, op welke zij den gehelen tijd haars vloeds ligt, zal zijn als de legerstede van hare afzondering; en alles, waarop zij zit, zal onrein zijn, gelijk de onreinheid van hare afzondering.
15:27 Wie iets daarvan aanraakt, zal onrein zijn, en zal zijne klederen wassen en zich met water baden, en onrein zijn tot den avond.
15:28 Maar als zij van haren vloed rein wordt, zo zal zij zeven dagen tellen; daarna zal zij rein zijn.
15:29 En op den achtsten dag zal zij twee tortelduiven of twee jonge duiven nemen, en deze tot den priester voor den ingang van de tent der samenkomst brengen.
15:30 En de priester zal de ene tot een zondoffer en de andere tot een brandoffer bereiden, en haar vanwege den vloed harer onreinheid voor den Heer verzoenen.
15:31 Alzo zult gij de kinderen Israëls waarschuwen tegen alle onreinheid, opdat zij niet sterven in hunne onreinheid, als zij mijne woning, die onder u is, verontreinigen.
15:32 Dit is de wet voor dengene, die een vloed heeft, en wien het zaad in den slaap ontgaat, zodat hij daarvan onrein wordt;
15:33 en voor de vrouw, die hare stonden heeft, alsmede voor elk, hetzij man of vrouw, die een vloed heeft; en voor den man, die bij ene onreine gelegen heeft.


Leviticus 16
16:1 En de Heer sprak tot Mozes, nadat de twee zonen van Aäron gestorven waren, toen zij voor den Heer offerden, en zeide:
16:2 Zeg uwen broeder Aäron, dat hij niet te allen tijde in het binnenste heiligdom ga, achter het voorhangsel, Vóór het verzoendeksel, dat op de ark is, opdat hij niet sterve; want Ik zal in ene wolk op het verzoendeksel verschijnen.
16:3 Maar hiermede zal hij ingaan: met een jongen var tot een zondoffer en met een ram tot een brandoffer.
16:4 En hij zal den heiligen linnen rok aantrekken, en linnen onderklederen aan zijn vlees hebben, en zich met een linnen gordel gorden, en den linnen hoed op hebben; want dit zijn de heilige klederen; en hij zal zijn vlees met water baden, en ze dan aantrekken.
16:5 En van de gemeente der kinderen Israëls zal hij twee geitebokken nemen tot een zond-offer, en één ram tot een brandoffer.
16:6 En Aäron zal den var, het zondoffer voor zichzelven, doen naderen, en zich en zijn huis verzoenen.
16:7 Daarna zal hij de twee bokken nemen en deze voor den Heer stellen, voor den ingang van de tent der samenkomst.
16:8 En hij zal het lot over deze twee bokken werpen: het ene lot voor den Heer, en het andere voor Asasel.
16:9 Dan zal hij den bok, op welken het lot voor den Heer gevallen is, tot een zondoffer offeren.
16:10 Maar den bok, waarop het lot gevallen is, voor Asasel, zal hij levend voor den Heer stellen, om daarmede te verzoenen, en hem voor Asasel naar de woestijn uit te laten.
16:11 Voorts zal hij den var zijns zondoffers doen naderen, om zichzelven en zijn huis te verzoenen; en hij zal hem slachten.
16:12 En hij zal een wierookvat vol gloeiende kolen van het altaar, dat voor den Heer staat, en zijne hand vol gestoten reukwerk nemen, en het binnen achter het voorhangsel brengen.
16:13 En hij zal dat reukwerk op het vuur leggen voor den Heer, teneinde de wolk des reukwerks het verzoendeksel, dat op de ark der getuigenis is, bedekke, opdat hij niet sterve.
16:14 En hij zal van het bloed van den var nemen, en met zijnen vinger op de voorzijde van het verzoendeksel sprengen; alzo zal hij Vóór het verzoendeksel zevenmaal met zijnen vinger van dat bloed sprengen.
16:15 Daarna zal hij den bok, het zondoffer voor het volk, slachten en van zijn bloed binnen achter het voorhangsel brengen, en zal met zijn bloed doen, gelijk hij met het bloed van den var gedaan heeft, en dat ook op de voorzijde van het verzoendeksel sprengen.
16:16 En alzo zal hij het heiligdom, vanwege de onreinheden der kinderen Israëls en vanwege hunne overtredingen, naar al hunne zonden, verzoenen; zo zal hij doen aan de tent der samenkomst, welke bij hen woont in het midden van hunne onreinheden.
16:17 Geen mens zal in de tent der samenkomst zijn, als hij daar ingaat om het heiligdom te verzoenen, totdat hij daar uitgaat; en alzo zal hij zichzelven en zijn huis en de gehele gemeente Israëls verzoenen.
16:18 En als hij daar uitgaat tot het altaar, dat voor den Heer staat, zal hij het verzoenen; en hij zal dan het bloed van den var en van het bloed van den bok nemen, en het rondom op de hoornen des altaars doen.
16:19 En hij zal daarop van dat bloed met zijnen vinger zeven maal sprengen, en het reinigen en heiligen van de onreinheden der kinderen Israëls.
16:20 En als hij het verzoenen van het heiligdom, van de tent der samenkomst en van het altaar volbracht heeft, zo zal hij den levenden bok doen naderen;
16:21 en dan zal Aäron zijne beide handen op het hoofd van dien bok leggen, en op hem al de misdaden der kinderen Israëls en al hunne overtredingen, naar al hunne zonden, bekennen; en hij zal die op het hoofd van den bok leggen, en hem door een man, die bij de hand is, naar de woestijn uitlaten
16:22 Alzo zal die bok al hunne misdaden op zich in ene wildernis dragen; en hij zal hem in de woestijn laten.
16:23 En Aäron zal in de tent der samenkomst gaan, en de linnen klederen, welke hij aantrok, toen hij in het heiligdom ging, uittrekken, en zal die daar laten.
16:24 En hij zal zijn vlees in de heilige plaats met water baden, en zijne eigene klederen aandoen, en uitgaan, en zijn brandoffer en des volks brandoffer bereiden, en zichzelven en het volk verzoenen.
16:25 En het vet des zondoffers zal hij op het altaar ontsteken.
16:26 En wie den bok voor Asasel heeft weggebracht, zal zijne klederen wassen en zijn vlees in water baden, en daarna in het leger komen.
16:27 Den var des zondoffers en den bok des zondoffers, welker bloed ter verzoening in het heiligdom gebracht is, zal men buiten het leger uitvoeren, en hunne huid, hun vlees en hun mest met vuur verbranden.
16:28 En wie deze verbrandt, zal zijne klederen wassen en zijn vlees in water baden, en daarna in het leger komen.
16:29 Ook zal dit u tot ene eeuwige inzetting zijn: op den tienden dag der zevende maand zult gij uwe lichamen kastijden en geen werk doen, inboorling noch vreemdeling onder u,
16:30 want op dezen dag geschiedt uwe verzoening, opdat gij gereinigd wordt; van al uwe zonden wordt gij voor den Heer gereinigd.
16:31 Daarom zal het u een grote sabbat zijn, en gij zult uwe lichamen verootmoedigen; dit zij ene eeuwige inzetting.
16:32 De priester nu, dien men gezalfd en tot het priesterambt in zijns vaders plaats, gewijd heeft, zal die verzoening doen; en hij zal de linnen klederen, namelijk de heilige klederen, aandoen,
16:33 en alzo zal hij het heiligdom, en de tent der samenkomst, en het altaar, en de priesters en al het volk der gemeente verzoenen.
16:34 Dit zal u ene eeuwige inzetting zijn, om de kinderen Israëls éénmaal in het jaar voor al hunne zonden te verzoenen. En hij deed, gelijk de Heer aan Mozes geboden had.


Leviticus 17
17:1 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende:
17:2 Zeg aan Aäron en zijne zonen en aan al de kinderen Israëls, en spreek tot hen: Dit is het wat de Heer geboden heeft, zeggende:
17:3 Wie uit het huis van Israël een os of een lam of een geit in of buiten het leger slacht,
17:4 en die niet voor den ingang van de tent der samenkomst brengt, om den Heer Vóór de woning des Heren geofferd te worden, zal aan het bloed schuldig zijn, als iemand, die bloed vergoten heeft; en zulk een man zal uit zijn volk uitgeroeid worden.
17:5 Daarom zullen de kinderen Israëls hunne offers, welke zij op het veld slachten, voor den Heer, aan den ingang van de tent der samenkomst, tot den priester brengen, en hunne dankoffers aldaar den Heer offeren.
17:6 En de priester zal het bloed voor den ingang van de tent der samenkomst tegen het altaar des Heren sprengen, en hij zal het vet den Heer tot een liefelijken reuk ontsteken.
17:7 En zij zullen hunne offers voortaan geenszins den veldgoden, met welke zij hoereren, offeren. Dit zal hun ene eeuwige inzetting zijn bij hunne nakomelingen.
17:8 Daarom zult gij tot hen zeggen: Welk mens uit het huis van Israël, of van de vreemdelingen, die onder u zijn, een offer of brandoffer brengt,
17:9 en het niet voor den ingang van de tent der samenkomst brengt, om het den Heer te offeren, die zal uit zijn volk uitgeroeid worden.
17:10 En welk mens, hij zij van het huis Israëls of een vreemdeling onder u, enig bloed eet, tegen dien zal Ik mijn aangezicht stellen, en zal hem midden uit zijn volk uitroeien;
17:11 want het leven des lichaams is in het bloed, en Ik heb het op het altaar gegeven, opdat uwe zielen daarmede verzoend worden; want het bloed is de verzoening, omdat het leven daarin is.
17:12 Daarom heb Ik den kinderen Israëls gezegd: Niemand onder u zal bloed eten; ook geen vreemdeling, die onder u woont.
17:13 En welk mens, hij zij van het huis Israëls of een vreemdeling onder u, op de jacht een wild dier of gevogelte vangt, dat men eet, die zal deszelfs bloed vergieten en met aarde bedekken.
17:14 Want het leven des lichaams is in zijn bloed, zolang het leeft; en Ik heb den kinderen Israëls gezegd: Gij zult geen bloed eten, want het leven des lichaams is in zijn bloed: wie dat eet, zal uitgeroeid worden.
17:15 En wie een aas of wat door het wild verscheurd is, eet, hij zij een inboorling of vreemdeling, zal zijne klederen wassen en zich met water baden, en onrein zijn tot den avond; dan wordt hij rein.
17:16 Maar indien hij zijne klederen niet wassen noch zich baden zal, zo zal hij aan zijne misdaad schuldig zijn.


Leviticus 18
18:1 Voorts sprak de Heer tot Mozes, zeggende:
18:2 Spreek tot de kinderen Israëls en zeg tot hen: Ik ben de Heer, uw God.
18:3 Gij zult niet doen naar de werken van het land Egypte, in hetwelk gij gewoond hebt, ook niet naar de werken van het land Kanaän, in hetwelk Ik u voeren zal; gij zult ook naar hunne wijze niet wandelen.
18:4 Maar naar mijne rechten zult gij doen, en mijne inzettingen zult gij houden, zodat gij daarin wandelt; want Ik ben de Heer, uw God.
18:5 Daarom zult gij mijne inzettingen en mijne rechten houden. Want wie deze doet, zal daardoor leven; want Ik ben de Heer.
18:6 Niemand zal zich tot zijne naaste bloedverwante begeven om hare schaamte te ontbloten; want Ik ben de Heer.
18:7 Gij zult de schaamte van uwen vader en van uwe moeder niet ontbloten; het is uwe moeder, daarom zult gij hare schaamte niet ontbloten.
18:8 Gij zult de schaamte van de huisvrouw uws vaders niet ontbloten; want het is uws vaders schaamte.
18:9 Gij zult de schaamte van uwe zuster, die de dochter uws vaders of de dochter uwer moeder is, in huis of daarbuiten geboren, niet ontbloten.
18:10 Gij zult de schaamte van de dochter uws zoons of van de dochter uwer dochter niet ontbloten; want het is uwe schaamte.
18:11 Gij zult de schaamte van de dochter der huisvrouw uws vaders, die uit uwen vader geboren en uwe zuster is, niet ontbloten.
18:12 Gij zult de schaamte van uws vaders zuster niet ontbloten; want zij is de naaste bloedverwante uws vaders.
18:13 Gij zult de schaamte van de zuster uwer moeder niet ontbloten; want zij is de naaste bloedverwante uwer moeder.
18:14 Gij zult de schaamte van uws vaders broeder niet ontbloten, dat gij zijne huisvrouw neemt, want zij is uwe moei.
18:15 Gij zult de schaamte van uwe schoondochter niet ontbloten; want zij is uws zoons huisvrouw; daarom zult gij hare schaamte niet ontbloten.
18:16 Gij zult de schaamte van uws broeders huisvrouw niet ontbloten; want het is uws broeders schaamte.
18:17 Gij zult de schaamte van ene vrouw en tevens die van hare dochter niet ontbloten, noch de dochter haars zoons of de dochter harer dochter nemen om haar schaamte te ontbloten; want zij is hare naaste bloedverwante, en het is ene schanddaad.
18:18 Gij zult ook geen vrouw en hare zuster te gelijk nemen om hare schaamte te ontbloten, haar tot spijt, terwijl zij nog leeft.
18:19 Gij zult u niet tot de vrouw begeven, terwijl zij hare krankheid heeft, in hare onreinheid, om hare schaamte te ontbloten.
18:20 Gij zult ook geen vleselijke gemeenschap hebben met uws naasten huisvrouw, waarmede gij u en haar verontreinigt.
18:21 Gij zult ook van uw zaad niet geven om voor den Moloch verbrand te worden, opdat gij den naam uws Gods niet ontheiligt; want Ik ben de Heer.
18:22 Gij zult niet bij een jongen liggen als bij ene vrouw; want dit is een gruwel.
18:23 Gij zult ook bij geen dier liggen, zodat gij daarmede verontreinigd wordt; en geen vrouw zal met een dier te doen hebben; want dit is een gruwel.
18:24 Gij zult u in geen van deze dingen verontreinigen; want met dit alles hebben de volken zich verontreinigd, die Ik voor uw aangezicht zal uitdrijven,
18:25 omdat het land daardoor verontreinigd is; en Ik zal hunne misdaad aan hen bezoeken, zodat het land zijne inwoners zal uitspuwen.
18:26 Daarom houdt mijne inzettingen en rechten, en doet geen van al die gruwelen, noch de inboorling, noch de vreemdeling onder u;
18:27 want al zulke gruwelen hebben de lieden van dit land gedaan, die Vóór u waren, en hebben het land verontreinigd;
18:28 opdat het land ook u niet uitspuwe, als gij het verontreinigt, gelijk het de volken heeft uitgespuwd, die Vóór u waren.
18:29 Want wie deze gruwelen doen, hunne zielen zullen uit haar volk uitgeroeid worden.
18:30 Daarom houdt mijne inzettingen, opdat gij niet doet naar de gruwelijke zeden, die Vóór u waren om daarmede niet verontreinigd te worden; want Ik ben de Heer, uw God.


Leviticus 19
19:1 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende:
19:2 Spreek tot de gehele gemeente der kinderen Israëls en zeg tot hen: Gij zult heilig zijn, want Ik ben heilig, de Heer, uw God.
19:3 Een ieder vreze zijne moeder en zijnen vader, en onderhoude mijne feestdagen; want Ik ben de Heer, uw God.
19:4 Gij zult u niet tot de afgoden keren, en zult u geen gegoten godheden maken; want Ik ben de Heer, uw God.
19:5 En wanneer gij den Heer een dankoffer wilt offeren, zo zult gij offeren hetgeen Hem behagen kan.
19:6 En gij zult het eten op denzelfden dag als het geofferd wordt, en des anderen daags; maar wat tot den derden dag overblijft, zal men met vuur verbranden;
19:7 en indien iemand op den derden dag daarvan eten zal, zo is hij een gruwel en zal niet aangenaam zijn;
19:8 en wie er van eet zal zijne misdaad dragen, omdat hij het heiligdom des Heren ontheiligt, en zulk ene ziel zal uit haar volk uitgeroeid worden.
19:9 Wanneer gij den oogst uws lands afmaait, zo zult gij het niet aan de hoeken in het rond afsnijden, ook niet alles nauwkeurig opzamelen;
19:10 ook zult gij uwen wijnberg niet zo nauwkeurig afplukken, noch de afgevallen druiven opzamelen; maar gij zult die voor de armen en vreemdelingen overlaten; want Ik ben de Heer, uw God.
19:11 Gij zult niet stelen, noch liegen, noch valschelijk handelen de een met den ander.
19:12 Gij zult niet valschelijk zweren bij mijnen naam, noch den naam uws Gods ontheiligen; want Ik ben de Heer.
19:13 Gij zult uwen naaste geen onrecht doen, noch hem beroven; des dagloners loon zal niet bij u blijven tot den morgen.
19:14 Gij zult den dove niet vloeken, en voor den blinde zult gij geen struikelblok werpen, maar gij zult voor uwen God vrezen; want Ik ben de Heer.
19:15 Gij zult geen onrecht doen in het gericht, en zult den geringe niet voortrekken, noch den grote eren, maar gij zult uwen naaste rechtvaardig richten.
19:16 Gij zult geen kwaadspreker zijn onder uw volk; ook zult gij niet optreden tegen het bloed uws naasten; want Ik ben de Heer.
19:17 Gij zult uwen broeder niet haten in uw hart, maar gij zult uwen naaste bestraffen, opdat gij om zijnentwil geen schuld draagt.
19:18 Gij zult niet wraakgierig zijn, noch toorn behouden tegen de kinderen uws volks; maar gij zult uwen naaste liefhebben als uzelven; want Ik ben de Heer.
19:19 Mijne inzettingen zult gij onderhouden; gij zult uw vee met geen andere soort van dieren te doen laten hebben, en uw veld niet met menigerlei zaad bezaaien, en geen kleed, van wol en linnen gemengd, aan u laten komen.
19:20 Als een man vleselijke gemeenschap heeft met ene vrouw, die ene lijfeigene maagd is, en door den man versmaad, doch niet gelost of vrijgelaten, dat zal gestraft worden; maar zij zullen niet sterven, want zij is niet vrij geweest.
19:21 Maar hij zal voor zijne schuld den Heer aan den ingang van de tent der samenkomst een ram tot een schuldoffer brengen;
19:22 en de priester zal hem met dat schuldoffer voor den Heer verzoenen over de zonde, die hij gedaan heeft; zo zal God hem zijne zonde, die hij gedaan heeft, genadig vergeven.
19:23 Wanneer gij in het land komt, en allerlei bomen plant, waar men van eet, zo zult gij hunne eerste vruchten, als ware het hunne voorhuid, besnijden; drie jaren lang zult gij ze voor onbesneden houden en er niet van eten;
19:24 en in het vierde jaar zullen al hunne vruchten heilig zijn, een lofoffer voor den Heer;
19:25 maar in het vijfde jaar zult gij de vruchten eten en ze inzamelen; want Ik ben de Heer, uw God.
19:26 Gij zult niets met bloed eten. Gij zult op geen vogelgeschreeuw achtslaan, noch dagen verkiezen.
19:27 Gij zult uw haar aan het hoofd niet rondom afsnijden, noch uwen baard geheel afscheren.
19:28 Gij zult om een dode geen teken in uw vlees snijden, noch letters van een ingedrukt teken in u maken; want Ik ben de Heer.
19:29 Gij zult uwe dochter niet tot hoererij houden, opdat het land geen hoererij bedrijve en met schanddaden vervuld worde.
19:30 Onderhoudt mijne feestdagen en ontziet mijn heiligdom; want Ik ben de Heer.
19:31 Gij zult u niet tot de waarzeggers keren, en niets bij de wichelaars onderzoeken, opdat gij niet aan hen verontreinigd wordt; want Ik ben de Heer, uw God.
19:32 Voor een grijs hoofd zult gij opstaan en den oude eren; en gij zult vrezen voor uwen God; want Ik ben de Heer.
19:33 Wanneer een vreemdeling bij u in uw land wonen zal, zult gij hem niet verdrukken.
19:34 Hij zal bij u wonen als een inboorling onder u, en gij zult hem liefhebben als uzelve; want gij zijt ook vreemdelingen geweest in Egypteland. Ik ben de Heer, uw God.
19:35 Gij zult geen onrecht doen in het gericht, met de el, het gewicht, of de maat.
19:36 Rechte weegschalen, rechte ponden, rechte schepels, rechte kannen zullen onder u zijn; want Ik ben de Heer, uw God, die u uit Egypteland gevoerd heb,
19:37 opdat gij al mijne inzettingen en al mijne rechten onderhoudt en die doet; want Ik ben de Heer.


Leviticus 20
20:1 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende:
20:2 Zeg den kinderen Israëls: Wie onder de kinderen Israëls, of van de vreemdelingen, die onder Israël wonen, van zijn kroost aan den Moloch geeft, zal den dood sterven; het volk in het land zal hem stenigen.
20:3 En Ik zal mijn aangezicht tegen dien mens stellen, en zal hem uit zijn volk uitroeien, omdat hij van zijn kroost aan den Moloch gegeven, en mijn heiligdom verontreinigd, en mijnen heiligen naam ontheiligd heeft.
20:4 En indien het volk in het land het voor dien mens door de vingers mocht zien, die van zijn kroost aan den Moloch gegeven heeft, zodat zij hem niet doden,
20:5 zo zal Ik echter mijn aangezicht tegen dien mens stellen, en tegen zijn geslacht, en Ik zal hem, en allen, die met hem den Moloch nagehoereerd hebben, uit hun volk uitroeien.
20:6 Wanneer iemand zich tot de waarzeggers en wichelaars keren zal, om die na te hoereren, zo zal Ik mijn aangezicht tegen hem stellen en zal hem uit zijn volk uitroeien.
20:7 Daarom heiligt u en zijt heilig; want Ik ben de Heer, uw God;
20:8 en onderhoudt mijne inzettingen en doet die; want Ik ben de Heer, die u heiligt.
20:9 Wie zijnen vader of zijne moeder vloekt, zal den dood sterven; zijn bloed zij op hem, omdat hij zijnen vader of zijne moeder gevloekt heeft.
20:10 Wie met iemands huisvrouw overspel bedreven heeft, zal den dood sterven, zowel de overspeler als de overspeelster, omdat hij met de vrouw van zijnen naaste overspel bedreven heeft.
20:11 Als iemand bij zijns vaders huisvrouw zal gelegen hebben, zodat hij zijns vaders bed onteert, dan zullen beiden den dood sterven; hun bloed zij op hen.
20:12 Als iemand bij zijn schoondochter ligt, zo zullen beiden den dood sterven, want zij hebben ene schanddaad bedreven; hun bloed zij op hen.
20:13 Als iemand bij een jongen ligt, als bij ene vrouw, zo hebben beiden een gruwel gepleegd en zullen beiden den dood sterven; hun bloed zij op hen.
20:14 Als iemand ene vrouw neemt, en hare moeder daarbij, dan heeft hij ene schanddaad bedreven; men zal hem met vuur verbranden, en haar ook, opdat er geen schanddaad onder u zij.
20:15 Als iemand bij een beest ligt, zal hij den dood sterven; ook het beest zal men doden.
20:16 Als ene vrouw tot enig beest nadert, zodat zij daarmede te doen heeft, zult gij haar doden, en het beest ook; den dood zullen zij sterven; hun bloed zij op hen.
20:17 Als iemand zijne zuster neemt, de dochter zijns vaders of de dochter zijner moeder, en hare schaamte beziet en zij wederom zijne schaamte, dat is ene bloedschande, en zij zullen uitgeroeid worden voor de lieden huns volks, want hij heeft de schaamte zijner zuster ontbloot; hij zal zijne misdaad dragen.
20:18 Wanneer een man bij ene vrouw ligt ten tijde als zij hare krankheid heeft, en hare schaamte ontbloot en de bron haars bloeds ontdekt, en zij de bron haars bloeds ontbloot, zo zullen beiden uit hun volk uitgeroeid worden.
20:19 Gij zult de schaamte van de zuster uwer moeder en de zuster uws vaders niet ontbloten; zulk een heeft zijne naaste bloedverwante ontbloot, en zij zullen hunne misdaad dragen.
20:20 Als iemand bij de huisvrouw van zijns vaders broeder ligt, zo heeft hij zijns ooms schaamte ontbloot; zij zullen hunne zonde dragen; zonder kinderen zullen zij sterven.
20:21 Als iemand zijns broeders huisvrouw neemt, dat is ene schandelijke daad: zij zullen zonder kinderen zijn, omdat hij zijns broeders schaamte ontbloot heeft.
20:22 Zo onderhoudt dan al mijne inzettingen en mijne rechten en doet daarnaar, opdat het land, naar hetwelk Ik u voer om aldaar te wonen, u niet uitspuwe;
20:23 en wandelt niet naar de inzettingen der volken, welke Ik voor u zal uitstoten; want dit alles hebben zij gedaan en Ik heb een afschuw van hen gehad.
20:24 Tot u echter sprak Ik: Gij zult hun land bezitten, want Ik zal u een land tot een erf geven, waar melk en honig vloeit. Ik ben de Heer, uw God, die u van de volken afgezonderd heb.
20:25 Derhalve zult gij ook het reine vee van het onreine afzonderen, en de onreine vogels van de reine, en uwe ziel niet verontreinigen aan het vee, aan de vogels, en aan al wat op de aarde kruipt, hetwelk Ik voor u afgezonderd heb, opdat het u onrein zij.
20:26 En gij zult Mij heilig zijn, want Ik de Heer ben heilig, die u afgezonderd heb van de volken, opdat gij de mijne zoudt zijn.
20:27 Als nu een man of ene vrouw een waarzegger of wichelaar zal zijn, zullen zij den dood sterven; men zal hen stenigen; hun bloed zij op hen.


Leviticus 21
21:1 En de Heer sprak tot Mozes: Zeg den priesters, Aärons zonen, en spreek tot hen: Een priester zal zich aan geen dode zijns volks verontreinigen;
21:2 behalve aan zijn bloedverwant, die hem het naaste bestaat, als aan zijne moeder, aan zijnen vader, aan zijnen zoon, aan zijne dochter, aan zijnen broeder,
21:3 en aan zijne zuster, die nog als maagd bij hem inwoont, en geen vrouw eens mans geweest is; aan die mag hij zich verontreinigen.
21:4 Anders mag hij zich niet verontreinigen aan iemand, die hem toebehoort onder zijn volk, zodat hij zich ontheiligt.
21:5 Hij zal ook geen kruin op zijn hoofd maken, noch zijnen baard afscheren, en aan zijn lichaam geen teken insnijden.
21:6 Zij zullen voor hunnen God heilig zijn, en den naam huns Gods niet ontheiligen, want zij offeren de vuuroffers des Heren, het brood huns Gods; daarom zullen zij heilig zijn.
21:7 Zij zullen geen hoer nemen, noch iemand, die onteerd is, of van haren man verstoten; want hij is zijnen God heilig.
21:8 Daarom zult gij hem heilig houden, want hij offert het brood uws Gods; hij zal u heilig zijn, want Ik ben heilig, de Heer, die u heiligt.
21:9 Als eens priesters dochter begint te hoereren, zal men haar met vuur verbranden; want zij heeft haren vader geschonden.
21:10 Wie hogepriester is onder zijne broeders, op wiens hoofd de zalfolie gegoten, en die verordend is om de [heilige] klederen aan te trekken, zal zijn hoofd niet ontbloten en zijne klederen niet scheuren.
21:11 En hij zal tot geen dode komen; en hij zal zich noch om zijnen vader noch om zijne moeder verontreinigen.
21:12 Hij zal niet uit het heiligdom gaan, om het heiligdom zijns Gods niet te ontheiligen; want de heilige kroon, de zalfolie zijns Gods, is op hem. Ik ben de Heer.
21:13 Ene maagd zal hij tot vrouw nemen,
21:14 maar geen weduwe, noch verstotene, noch onteerde, noch hoer; maar ene maagd uit zijn volk zal hij tot vrouw nemen,
21:15 opdat hij zijn zaad niet ontheilige onder zijn volk; want Ik ben de Heer, die hem heiligt.
21:16 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende:
21:17 Spreek tot Aäron en zeg: Wanneer aan iemand van uw zaad onder uwe geslachten een gebrek is, dan zal hij niet naderen om het brood zijns Gods te offeren.
21:18 Want niemand, aan wien een gebrek is, zal naderen, hetzij dat hij blind of lam is, of een misvormden neus heeft, of te kort of te lang van leden is,
21:19 of die aan voet of hand gebrekkig is,
21:20 of die bultig is, of een vlies op het oog heeft, of scheel, of schurftig is, of uitslag heeft, of die gebroken is.
21:21 Al wie nu van het zaad van Aäron, den priester, een gebrek aan zich heeft, zal niet naderen om de offers voor den Heer te offeren; want hij heeft een gebrek, daarom zal hij tot de broden zijns Gods niet naderen om te offeren.
21:22 Nochtans zal hij het brood zijns Gods eten, zo van de heilige als van de allerheiligste offers.
21:23 Doch tot het voorhangsel zal hij niet komen, noch tot het altaar naderen, dewijl een gebrek aan hem is, opdat hij mijn heiligdom niet ontheilige; want Ik ben de Heer, die hen heiligt.
21:24 En Mozes sprak dit tot Aäron en zijne zonen en tot al de kinderen Israëls.


Leviticus 22
22:1 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende:
22:2 Spreek tot Aäron en zijne zonen, dat zij zich onthouden van de heilige dingen der kinderen Israëls, welke zij Mij heiligen, en dat zij mijnen heiligen naam niet ontheiligen; want Ik ben de Heer.
22:3 Zeg tot hen voor hunne nakomelingen: Wie van uw zaad tot de heilige dingen nadert, welke de kinderen Israëls den Heer heiligen, als zijne onreinheid op hem is, diens ziel zal uitgeroeid worden voor mijn aangezicht; want Ik ben de Heer.
22:4 Wie van Aärons zaad melaats is of een vloed heeft, zal van het heilige niet eten, voordat hij rein is; wie enig dood lichaam aanraakt, of wien in den slaap het zaad ontgaat,
22:5 en wie enig gewormte aanraakt, waardoor hij onrein wordt of een mens, waardoor hij onrein wordt, en al wat hem verontreinigt,
22:6 wie iets van dat alles aanraakt, is onrein tot den avond, en hij zal niet eten van de heilige dingen, maar zal te voren zijn lichaam met water baden.
22:7 En als de zon ondergegaan en hij rein geworden is, alsdan mag hij daarvan eten, want het is zijne spijs.
22:8 Een aas, en wat door wilde dieren verscheurd is, zal hij niet eten, opdat hij er niet onrein door worde; want Ik ben de Heer.
22:9 Daarom zullen zij mijne inzettingen onderhouden, opdat zij geen zonde op zich laden en daarin sterven, als zij zich ontheiligen; want Ik ben de Heer, die hen heiligt.
22:10 Geen vreemde zal van het heilige eten, noch de huisgenoot des priesters, noch een dagloner.
22:11 Maar als de priester ene ziel voor zijn geld koopt, die mag daarvan eten; en wat hem in zijn huis geboren wordt, dat mag ook van zijn brood eten.
22:12 Maar als de dochter des priesters de vrouw eens vreemden wordt, zal zij van het heilige hefoffer niet eten.
22:13 Maar wordt zij weduwe of uitgestoten, en heeft geen zaad, en keert zij weder tot haars vaders huis, zo zal zij van haars vaders brood eten, evenals toen zij nog maagd was; maar geen vreemde zal daarvan eten.
22:14 Wie uit dwaling van het heilige eet, zal het vijfde deel daaraan toevoegen, en het den priester geven benevens het heilige:
22:15 dus zullen zij de heilige dingen der kinderen Israëls niet ontheiligen, welke zij voor den Heer heffen,
22:16 opdat zij zich niet met misdaad en schuld beladen, als zij hunne heilige dingen eten; want Ik ben de Heer, die hen heiligt.
22:17 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende:
22:18 Spreek tot Aäron en zijne zonen, en tot de kinderen Israëls: Elke Israëliet of vreemdeling in Israël, die zijn offer wil brengen, hetzij volgens hunne geloften of vrijwillig, dat zij den Heer een brandoffer willen brengen,
22:19 dat Hem van u aangenaam zij: dat zal een mannetje en zonder gebrek zijn, van runderen, of lammeren, of geiten.
22:20 Al wat enig gebrek heeft zult gij niet offeren, want het zal voor u niet aangenaam zijn.
22:21 En wie den Heer een dankoffer wil brengen, ene bijzondere gelofte, of vrijwillig, van runderen, of schapen, dat zal zonder gebrek zijn, opdat het aangenaam zij: het moet geen gebrek hebben:
22:22 Is het blind, of gebrekkig, of verlamd, of dor, of schurftig, of heeft het uitslag, zo zult gij dat den Heer niet offeren, en daarvan geen offer geven op het altaar des Heren,
22:23 Een os of een schaap, ongewone of gebrekkige leden hebbende, moogt gij vrijwillig offeren, maar tot ene gelofte zal het niet aangenaam zijn.
22:24 Ook zult gij niets wat verstoten, of gedrukt, of gescheurd, of wat gewond is, den Heer offeren, en zult dat in uw land niet doen.
22:25 Gij zult ook niets zodanigs van de hand eens vreemden als spijze uws Gods offeren, want het deugt niet en het heeft een gebrek; daarom zal het niet aangenaam zijn voor u.
22:26 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende:
22:27 Wanneer een kalf of lam of bokje geboren is, zo zal het zeven dagen bij zijne moeder zijn, maar op den achtsten dag en vervolgens mag men het den Heer offeren; dan is het aangenaam.
22:28 Maar hetzij een rund of schaap; men zal het niet met zijn jong op éénen dag slachten.
22:29 En als gij den Heer een lofoffer wilt brengen, dat voor u aangenaam zij,
22:30 zo zult gij het op denzelfden dag eten, en zult er niet van overlaten tot den morgen; want Ik ben de Heer.
22:31 Onderhoudt mijne geboden en doet daarnaar, want Ik ben de Heer;
22:32 opdat gij mijnen heiligen naam niet ontheiligt, maar Ik geheiligd worde onder de kinderen Israëls; want Ik ben de Heer, die u heiligt,
22:33 die u uit Egypteland gevoerd heb, opdat Ik uw God zij, Ik, de Heer.


Leviticus 23
23:1 En de Heer sprak tot Mozes zeggende:
23:2 Spreek tot de kinderen Israëls en zeg tot hen: Dit zijn de feesten des Heren, welke gij als heilig en als mijne feesten zult uitroepen, en op welke gij zult samenkomen.
23:3 Zes dagen zult gij arbeiden, maar de zevende dag is de grote, heilige sabbat, op welken gij zult samenkomen; dan zult gij geen arbeid doen, want het is de sabbat des Heren in al uwe woningen.
23:4 Dit nu zijn de feesten des Heren, welke gij als heilige feesten zult uitroepen, en op welke gij zult samenkomen.
23:5 Op den veertienden dag der eerste maand, tussen de twee avonden, is des Heren Pascha.
23:6 En op den vijftienden dag van dezelfde maand is het feest der ongezuurde broden des Heren: zeven dagen zult gij ongezuurde broden eten.
23:7 De eerste dag zal onder u heilig zijn, op welken gij samenkomt; dan zult gij geen dienstwerk doen.
23:8 En gij zult zeven dagen lang den Heer offers offeren; de zevende dag zal ook heilig zijn, op welken gij samenkomt; dan zult gij geen dienstwerk doen.
23:9 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende:
23:10 Spreek tot de kinderen Israëls en zeg tot hen: Wanneer gij in het land komen zult, hetwelk Ik u geven zal, en den oogst zult inzamelen, zo zult gij ene schoof van de eerstelingen van uwen oogst tot den priester brengen;
23:11 en hij zal die schoof voor den Heer bewegen, opdat het van u aangenaam zij; dat zal de priester doen des anderen daags na den sabbat.
23:12 En gij zult op dien dag, als uwe schoof bewogen wordt, den Heer een brandoffer brengen van een lam, dat zonder gebrek en éénjarig is;
23:13 benevens het spijsoffer van twee tienden meelbloem, met olie gemengd, tot een offer eens liefelijken reuks voor den Heer; alsmede het drankoffer van wijn, een vierde deel van een hin.
23:14 En gij zult geen nieuw brood, noch gezengde aren, noch koren te voren eten, tot op dien dag, dat gij uwen God het offer brengt. Dit zal ene eeuwige inzetting zijn voor uwe nakomelingen in al uwe woningen.
23:15 Daarna zult gij tellen van den dag na den sabbat, toen gij de beweegschoof bracht, zeven gehele sabbatten;
23:16 tot op den dag na den zevenden sabbat zult gij tellen vijftig dagen, en dan zult gij een nieuw spijsoffer den Heer brengen.
23:17 En gij zult het uit al uwe woningen brengen, namelijk twee beweegbroden van twee tienden meelbloem, gezuurd en gebakken, tot eerstelingen voor den Heer.
23:18 En gij zult bij het brood offeren zeven éénjarige lammeren, zonder gebrek, en één jongen var, en twee rammen; zij zullen den Heer een brandoffer zijn met hun spijsoffers en drankoffers. Dit is een offer eens liefelijken reuks voor den Heer.
23:19 Daarenboven zult gij bereiden een geitebok tot een zondoffer, en twee éénjarige lammeren tot een dankoffer.
23:20 En de priester zal dat bewegen met het brood der eerstelingen voor den Heer, en met de twee lammeren; en het zal den Heer heilig en voor den priester zijn.
23:21 En gij zult op dienzelfden dag uitroepen, dat Hij onder u heilig is en gij samenkomt; geen dienstwerk zult gij doen. Ene eeuwige inzetting zal dit zijn bij uwe nakomelingen in al uwe woningen.
23:22 Als gij nu den oogst van uw land afmaait, zo zult gij het niet ganschelijk op het veld afsnijden, ook niet alles nauwkeurig opzamelen, maar gij zult het aan de armen en vreemdelingen overlaten; want Ik ben de Heer, uw God.
23:23 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende:
23:24 Spreek tot de kinderen Israëls en zeg: Op den eersten dag der zevende maand zult gij den heiligen sabbat des bazuingeschals tot ene gedachtenis houden en op dien dag samenkomen.
23:25 Gij zult alsdan geen dienstwerk doen, maar gij zult aan den Heer offeren.
23:26 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende:
23:27 Op den tienden dag van deze zevende maand is de Verzoendag. Die zal bij u heilig zijn en gij zult op dien dag samenkomen; alsdan zult gij uwe lichamen kastijden en den Heer een offer offeren.
23:28 En gij zult geen arbeid doen op dien dag; want het is de Verzoendag, waarop gij verzoend wordt voor den Heer, uwen God.
23:29 En wie zijn lichaam niet kastijdt op dien dag, zal uit zijn volk uitgeroeid worden.
23:30 En wie op dien dag enigen arbeid doet, dien zal Ik uit zijn volk verdelgen.
23:31 Daarom zult gij geen arbeid doen. Dit zal een eeuwige inzetting zijn voor uwe nakomelingen in al uwe woningen.
23:32 Het is uw grote sabbat, opdat gij uwe lichamen kastijdt. Op den negenden dag der maand, des avonds, zult gij dezen sabbat houden, van den avond af tot den anderen avond.
23:33 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende:
23:34 Spreek tot de kinderen Israëls, zeggende: Op den vijftienden dag dezer zevende maand is het feest der Loofhutten voor den Heer, zeven dagen.
23:35 De eerste dag zal heilig zijn, op welken gij samenkomt; geen dienstwerk zult gij doen.
23:36 Zeven dagen zult gij aan den Heer offeren; de achtste dag zal ook heilig zijn, op welken gij samenkomt, en gij zult uw offer den Heer brengen, want het is de dag der vergadering; geen dienstwerk zult gij doen.
23:37 Dit zijn de feesten des Heren, welke gij voor heilig zult houden en op welke gij zult samenkomen, om aan den Heer te offeren brandoffer, spijsoffer, drankoffer, slachtoffer en andere offers, elk op zijnen dag;
23:38 behalve de sabbatten des Heren, en uwe gaven, en alle geloften en vrijwillige gaven, welke gij den Heer geven zult.
23:39 Maar op den vijftienden dag der zevende maand, als gij de opbrengst van het land hebt ingezameld, zult gij het feest des Heren houden zeven dagen lang; op den eersten dag is het sabbat, en op den achtsten dag is het ook sabbat.
23:40 En gij zult op den eersten dag nemen vruchtdragende takken van schone bomen, palmtakken en twijgen van dichte bomen, alsook beekwilgen; en zeven dagen zult gij vrolijk zijn voor den Heer, uwen God.
23:41 En alzo zult gij den Heer dat feest jaarlijks houden, zeven dagen. Dit zal ene eeuwige inzetting zijn voor uwe nakomelingen, om het in de zevende maand zo te vieren.
23:42 Zeven dagen zult gij in loofhutten wonen; wie een inboorling in Israël is, zal in loofhutten wonen,
23:43 opdat uwe nakomelingen weten, dat Ik de kinderen Israëls heb laten wonen in hutten, toen Ik hen uit Egypteland voerde, Ik, de Heer, uw God.
23:44 En Mozes gebood aan de kinderen Israëls deze feesten des Heren.


Leviticus 24
24:1 En de Heer sprak tot Mozes, zeg gende:
24:2 Gebied den kinderen Israëls, dat zij tot u brengen zuivere gestoten boomolie voor de lichten, om die dagelijks in de lampen te doen.
24:3 Buiten het voorhangsel voor de ark der getuigenis, in de tent der samenkomst, zal Aäron die dagelijks toebereiden, des avonds en des morgens, voor den Heer. Dit zij ene eeuwige inzetting voor uwe nakomelingen.
24:4 Hij zal de lampen op den schonen kandelaar voor den Heer dagelijks toebereiden.
24:5 En gij zult meelbloem nemen, en daarvan twaalf koeken bakken, voor elken koek twee tienden.
24:6 En gij zult die stellen zes aan iedere rij op de schone tafel voor den Heer.
24:7 En gij zult daarop zuiveren wierook leggen, opdat het gedenkbroden zijn tot een vuuroffer voor den Heer.
24:8 Alle sabbatten zult gij die toebereiden voor den Heer gestadig, den kinderen Israëls tot een eeuwig verbond.
24:9 En het zal voor Aäron en zijne zonen zijn, die dat zullen eten in de heilige plaats; want dit is zijn allerheiligste van de offers des Heren, tot ene eeuwige inzetting.
24:10 En er ging iemand uit, die onder de kinderen Israëls de zoon van ene Israëlietische vrouw en van een Egyptenaar was, en twistte in het leger met een Israëlietischen man,
24:11 en lasterde den Naam en vloekte. Toen brachten zij hem tot Mozes [zijne moeder nu was genaamd Selomith, de dochter van Dibri, van den stam Dan],
24:12 en zetten hem in de gevangenis, totdat er een duidelijk antwoord door den mond des Heren zou geschieden.
24:13 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende:
24:14 Breng den vloeker buiten voor het leger, en laat allen, die het gehoord hebben, hunne handen op zijn hoofd leggen, en laat de gehele gemeente hem stenigen.
24:15 En zeg aan de kinderen Israëls: Wie zijnen God vloekt, zal zijne zonde dragen;
24:16 wie des Heren naam lastert, zal den dood sterven, de gehele gemeente zal hem stenigen, zowel de vreemdeling, als de inboorling; als hij den Naam lastert, zal hij sterven.
24:17 Wie enig mens doodslaat, zal den dood sterven.
24:18 En wie een beest doodslaat, zal het betalen, lijf voor lijf.
24:19 En wie zijnen naaste kwetst, dien zal men doen, gelijk hij gedaan heeft;
24:20 schade voor schade, oog om oog, tand om tand; gelijk hij een mens kwetst, Zó zal men ook hem doen.
24:21 Alzo wie een beest doodslaat, zal het betalen, maar wie een mens doodslaat, zal sterven.
24:22 Enerlei recht zal onder u zijn voor den vreemdeling en voor den inboorling; want Ik ben de Heer, uw God.
24:23 En Mozes zeide dit aan de kinderen Israëls, en zij voerden den vloeker naar buiten voor het leger, en stenigden hem. Alzo deden de kinderen Israëls, gelijk de Heer aan Mozes geboden had.


Leviticus 25
25:1 En de Heer sprak tot Mozes op den berg Sinaï, zeggende:
25:2 Spreek tot de kinderen Israëls en zeg tot hen: Wanneer gij zult komen in het land, hetwelk Ik u geven zal, zo zal dat land ene rust hebben voor den Heer.
25:3 Zes jaren zult gij uw veld bezaaien, en zes jaren uwen wijnberg besnoeien, en de vruchten inzamelen;
25:4 doch in het zevende jaar zal het land ene grote rust hebben voor den Heer; gij zult dan uw veld niet bezaaien noch uwen wijnberg besnoeien.
25:5 Wat van zelf na uwen oogst wast, zult gij niet inoogsten, en de druiven, die zonder uwen arbeid wassen, zult gij niet afplukken, dewijl het een jaar der heilige rust is voor het land.
25:6 En wat het land gedurende zijn rust zal voortbrengen, zult gij eten, uw knecht, uwe dienstmaagd, uw dagloner, uw huisgenoot, de vreemdeling bij u;
25:7 uw vee, en de dieren in uw land, alle vruchten zullen hun tot spijs zijn.
25:8 En gij zult zeven zulke rustjaren tellen, zodat zeven jaren zevenmaal geteld worden; en de tijd der zeven rustjaren is negen en veertig jaar.
25:9 Dan zult gij op de bazuinen doen blazen door al uw land, op den tienden dag der zevende maand, op den dag der verzoening;
25:10 en gij zult het vijftigste jaar heiligen, en zult het noemen een vrij-jaar in het land voor allen, die er in wonen, want het is uw jubeljaar; alsdan zal een ieder bij u weder tot zijne have en tot zijn geslacht komen.
25:11 Want het vijftigste jaar is uw jubeljaar; gij zult niet zaaien, ook wat vanzelf wast niet inoogsten, ook wat zonder arbeid in den wijnberg wast niet afplukken in dat jaar,
25:12 want het jubeljaar zal onder u heilig zijn, maar wat het veld vanzelf draagt zult gij eten.
25:13 Dit is het jubeljaar, in hetwelk iedereen weder aan het zijne komen zal.
25:14 Wanneer gij nu iets aan uwen naaste verkoopt, of wat van hem koopt, zo zal niemand zijnen broeder benadelen,
25:15 maar naar het getal der jaren van het jubeljaar af, zult gij het van hem kopen; en wat de jaren daarna opbrengen kunnen, zo hoog zal hij het u verkopen.
25:16 Naar de menigte dier jaren zult gij den koop verhogen, en naar het weinige dier jaren zult gij den koop verminderen; want hij zal het u, al naar dat het opbrengen kan, verkopen.
25:17 Niemand benadele dan zijnen naaste, maar vreest voor uwen God; want Ik ben de Heer, uw God.
25:18 Daarom doet naar mijne inzettingen en onderhoudt mijne rechten, dat gij daarnaar doet, opdat gij gerust in het land wonen moogt;
25:19 want het land zal u zijne vruchten geven, zodat gij genoeg te eten hebt, en veilig daarin woont.
25:20 En zo gij zeggen mocht: Wat zullen wij eten in het zevende jaar? Wij zaaien dan niet, ook zamelen wij geen koren in:
25:21 zo zal Ik in het zesde jaar mijnen zegen over u gebieden, dat het voor drie jaren koren zal voortbrengen,
25:22 zodat gij in het achtste jaar nog zaad zult hebben, en van het oude koren eten. Tot in het negende jaar, dat er weder nieuw koren inkomt, zult gij van het oude eten.
25:23 Daarom zult gij het land niet verkopen voor altoos; want het land is het mijne, en gij zijt vreemdelingen en gasten voor mij.
25:24 En gij zult in uw gehele land lossing voor de landerijen toestaan.
25:25 Als uw broeder verarmt en u zijne have verkoopt, en zijn naaste vriend komt tot hem om het te lossen, zo zal hij lossen wat zijn broeder verkocht heeft.
25:26 Maar als iemand geen losser heeft, en hij kan met zijne hand zoveel opbrengen, dat hij het lost,
25:27 zo zal men rekenen van het jaar af, toen hij het verkocht heeft, en den verkoper die overige jaren wederuitkeren, opdat hij weder tot zijne bezitting kome.
25:28 Maar kan zijne hand zoveel niet vinden, dat hij het wederuitkeert, zo zal hetgeen hij verkocht heeft in de hand des kopers blijven tot het jubeljaar; dan zal het loskomen, en hij zal weder tot zijne bezitting geraken.
25:29 Wie een woonhuis verkoopt binnen de stadsmuren, heeft een geheel jaar uitstel om het weder te lossen; dit zal de tijd zijn binnen welken hij het lossen mag.
25:30 Maar indien hij het niet lost, eer het gehele jaar om is, zo zal de koper het voor altoos behouden en zijne nakomelingen; en het zal niet loskomen in het jubeljaar.
25:31 Maar is het een huis in een dorp, waar geen muur om is, dan zal men dat rekenen gelijk de velden des lands; en het zal vrij worden en in het jubeljaar loskomen.
25:32 De steden der Levieten en de huizen in de steden, in welke hunne bezitting is, mogen altijd gelost worden.
25:33 Wie iets van de Levieten lost, zal het verlaten in het jubeljaar, hetzij huis of stad, hetgeen hij bezeten heeft; want de huizen in de steden der Levieten zijn hunne bezitting onder de kinderen Israëls.
25:34 Doch het veld voor hunne steden zal men niet verkopen; want dat is hun eigendom voor altoos.
25:35 Als uw broeder verarmt en onder u vermindert, zo zult gij hem aannemen, hetzij als vreemdeling of gast, opdat hij onder u kunne leven.
25:36 En gij zult geen woeker van hem nemen, noch overwinst; maar gij zult voor uwen God vrezen, opdat uw broeder onder u kunne leven.
25:37 Gij zult hem uw geld niet op woeker geven, en uwe spijs niet geven tegen overwinst;
25:38 want Ik ben de Heer, uw God, die u uit Egypteland gevoerd heb, om u het land Kanaän te geven en uw God te zijn.
25:39 Als uw broeder bij u verarmt en zich aan u verkoopt, zo zult gij hem niet laten dienen als een lijfeigene;
25:40 maar gelijk een dagloner en gast zal hij bij u zijn, en tot aan het jubeljaar bij u dienen.
25:41 Dan zal hij van u vrij uitgaan, en zijne kinderen met hem, en hij zal wederkeren tot zijn geslacht en tot de bezitting zijner vaderen.
25:42 Want zij zijn mijne knechten, die Ik uit Egypteland gevoerd heb; daarom zullen zij niet gelijk een lijfeigene verkocht worden.
25:43 En gij zult niet over hen heersen met wreedheid, maar zult voor uwen God vrezen.
25:44 Doch wilt gij lijfeigene knechten en dienstmaagden hebben, zo zult gij ze kopen van de volken, die rondom u zijn,
25:45 ook van de kinderen der gasten, die vreemdelingen onder u zijn, en van hunne nakomelingen, die bij u in het land geboren worden; die zult gij tot een eigendom hebben.
25:46 En gij, en uwe kinderen na u, zult hen bezitten tot een eigendom voor altoos, en dezen zult gij lijfeigene knechten laten zijn; maar wat uwe broeders, de kinderen Israëls betreft, de een zal over den ander niet heersen met wreedheid.
25:47 Als enige vreemdeling of gast onder u vermogen heeft gekregen, en uw broeder verarmt, en zich aan een vreemdeling of gast onder u, of aan iemand van zijnen stam verkoopt,
25:48 zo zal hij, nadat hij verkocht is, het recht hebben om weder vrij te worden, en iemand onder zijne broeders mag hem lossen:
25:49 zijn oom, of zijns ooms zoon, of wie anders de naaste bloedverwant van zijn geslacht is: of indien zijn eigen hand zoveel verdient, zo zal hij zichzelven lossen.
25:50 En hij zal met zijnen koper rekenen van het jaar af, toen hij zich verkocht heeft, tot op het jubeljaar, en het geld zal naar het getal der jaren, voor hetwelk hij verkocht is, gerekend worden, en hij zal er zijn dagloon van dien gehelen tijd bijrekenen.
25:51 Zijn er nog vele jaren tot aan het jubeljaar, zo zal hij naar het getal daarvan des te meer geven om te lossen, al naardat hij gekocht is;
25:52 maar zijn er weinige jaren over tot aan het jubeljaar, zo zal hij ook volgens die jaren wedergeven tot zijne lossing.
25:53 En hij zal er zijn dagloon van jaar tot jaar mede bijrekenen; en gij zult niet toelaten, dat men met wreedheid over hem heerse voor uwe ogen.
25:54 En indien hij zich op deze wijze niet lost, zo zal hij toch in het jubeljaar vrij uitgaan, en zijne kinderen met hem.
25:55 Want de kinderen Israëls zijn mijne knechten, die Ik uit Egypteland gevoerd heb. Ik ben de Heer, uw God.


Leviticus 26
26:1 Gij zult u geen afgoden maken, noch beelden, en zult u geen zuilen oprichten, noch een teken van steen in uw land zetten, om daarvoor te aanbidden; want Ik ben de Heer, uw God.
26:2 Onderhoudt mijne sabbatten en ontziet mijn heiligdom. Ik ben de Heer.
26:3 Is het, dat gij naar mijne inzettingen zult wandelen en mijne geboden onderhouden en doen,
26:4 zo zal Ik u regen geven op zijnen tijd, en het land zal zijn gewas geven, en de bomen op het veld zullen hunne vruchten voortbrengen;
26:5 en de dorstijd zal u reiken tot den wijnoogst, en de wijnoogst zal reiken tot den zaaitijd; en gij zult volheid van brood hebben, en zult in uw land veilig wonen.
26:6 Ik zal vrede in uw land geven, opdat gij slaapt en niemand u verschrikke. Ik zal de boze dieren uit het land wegdoen, en geen zwaard zal door uw land gaan.
26:7 Gij zult uwe vijanden jagen, en zij zullen voor uw aangezicht vallen door het zwaard.
26:8 Vijf van u zullen er honderd jagen, en honderd van u zullen tien duizend jagen, want uwe vijanden zullen voor u vallen door het zwaard.
26:9 En Ik zal Mij tot u wenden, en zal u doen wassen en vermenigvuldigen, en Ik zal mijn verbond met u houden.
26:10 En gij zult van het oude eten, en als het nieuwe komt, het oude wegdoen.
26:11 Ik zal mijne woning onder u hebben, en mijne ziel zal u niet verwerpen,
26:12 en Ik zal onder u wandelen en zal uw God zijn, ook zult gij mijn volk zijn;
26:13 want Ik ben de Heer, uw God, die u uit Egypteland gevoerd heb, opdat gij hunne knechten niet zoudt zijn, en Ik heb uw juk verbroken en u met opgerichte hoofden doen wandelen.
26:14 Maar indien gij naar Mij niet zult horen, en al deze geboden niet zult doen,
26:15 en mijne inzettingen zult verachten, en uwe ziel mijne rechten zal verwerpen, zodat gij niet doet al mijne geboden, en mijn verbond zult verbreken,
26:16 zo zal Ik ook aldus met u doen: Ik zal u op ene verschrikkelijke wijze met gezwel en koorts bezoeken, zodat uw aangezicht vervalt en uw lichaam versmacht; gij zult tevergeefs uw zaad zaaien, want uwe vijanden zullen het opeten.
26:17 En Ik zal mijn aangezicht tegen u stellen, en gij zult geslagen worden voor uwe vijanden; en die u haten, zullen over u heersen, en gij zult vlieden, ook als niemand u jaagt.
26:18 En zo gij ook na dit alles naar Mij nog niet horen zult, dan zal Ik u nog zevenmaal zwaarder straffen om uwe zonden,
26:19 opdat Ik uwe hoovaardij en hardnekkigheid breke; en Ik zal uwen hemel als ijzer en uwe aarde als koper maken;
26:20 en uwe moeite en arbeid zal verloren zijn, zodat uw land zijn gewas niet geeft, en de bomen in het land hunne vruchten niet voortbrengen.
26:21 En indien gij u nog verder tegen Mij verzet, en Mij niet horen wilt, zo zal Ik u nog zevenmaal zwaarder slaan om uwe zonden,
26:22 en Ik zal wilde dieren onder u zenden; die zullen uwe kinderen verslinden, en uw vee verscheuren, en u verminderen, en uwe wegen zullen woest worden.
26:23 En zo gij na dit alles nog niet genoeg door Mij zult zijn getuchtigd, en voortgaat u tegen Mij te verzetten,
26:24 zo zal Ik Mij ook tegen u verzetten, en zal u nog zevenmaal zwaarder slaan om uwe zonden;
26:25 en Ik zal een zwaard der wrake over u brengen, dat mijn verbond wreken zal; en of gij u al in uwe steden zult opsluiten, zo zal Ik toch de pest onder u zenden, en zal u in de handen uwer vijanden geven.
26:26 Dan zal Ik u den voorraad van brood verderven, zodat tien vrouwen uw brood in één oven zullen bakken, en uw brood zal men met gewicht uitwegen, en als gij eet, zult gij niet verzadigd worden.
26:27 En indien gij ook dan nog niet naar Mij zult horen, en u tegen Mij zult verzetten,
26:28 zo zal Ik ook in gramschap Mij tegen u verzetten, en zal u zevenmaal zwaarder straffen om uwe zonden,
26:29 zodat gij het vlees van uwe zonen en dochters zult eten.
26:30 En Ik zal uwe hoogten verdelgen en uwe zonnezuilen uitroeien, en zal uwe lichamen op uwe afgoden werpen; en mijne ziel zal een afkeer van u hebben.
26:31 En Ik zal uwe steden woest maken en uwe heiligdommen omverwerpen, en zal uwen liefelijken reuk niet ruiken.
26:32 Alzo zal Ik dat land woest maken, zodat uwe vijanden, die er in wonen, zich daarover ontzetten zullen.
26:33 En Ik zal u onder de volken verstrooien en het zwaard achter u uittrekken, zodat uw land woest en uwe steden verwoest zullen zijn.
26:34 Alsdan zal het land in zijne sabbatten genoegen scheppen, zolang het woest ligt en gij in het land der vijanden zijt; ja, alsdan zal het land rusten en in zijne sabbatten genoegen scheppen:
26:35 zolang het woest ligt, zal het rusten, omdat het niet rusten kon, toen gij het moest laten rusten, en gij daarin woondet.
26:36 En dengenen, die van u overgebleven zullen zijn, zal Ik het hart versaagd maken in het land hunner vijanden, zodat een ruisend blad hen jagen zal, en zij er voor vluchten zullen, als joeg hen een zwaard, en vallen, terwijl niemand hen jaagt;
26:37 en de een zal over den ander vallen als voor het zwaard, schoon niemand hen jaagt; en gij zult niet kunnen bestaan tegen uwe vijanden,
26:38 en gij zult omkomen onder de volken, en het land uwer vijanden zal u verslinden.
26:39 En wie van u zullen overgebleven zijn, zullen om hunne misdaad versmachten in het land der vijanden; ook zullen zij om de misdaad hunner vaderen versmachten.
26:40 Alsdan zullen zij hunne misdaad en de misdaad hunner vaderen bekennen, met welke zij tegen Mij gezondigd en zich tegen Mij verzet hebben.
26:41 Daarom zal Ik Mij ook tegen hen verzetten, en zal hen in het land hunner vijanden wegdrijven; daar zal zich hun onbesneden hart verootmoedigen, en dan zullen zij zich de straf hunner misdaad laten welgevallen.
26:42 En Ik zal gedenken aan mijn verbond met Jakob, en aan mijn verbond met Isaäk en aan mijn verbond met Abraham; en Ik zal aan het land gedenken,
26:43 dat van hen verlaten is, en in zijne sabbatten een welgevallen heeft, dewijl het om hunnentwil woest ligt, en zij zich de straf hunner misdaad laten welgevallen; omdat zij mijne rechten veracht hebben, en hunne ziel van mijne inzettingen een afkeer gehad heeft.
26:44 Maar echter ook dan, wanneer zij in het land der vijanden zijn, heb Ik hen evenwel niet verworpen; en Ik heb niet zozeer een afkeer van hen, dat het met hen uit zou zijn en mijn verbond met hen niet meer zou gelden; want Ik ben de Heer, hun God.
26:45 En Ik zal wegens hen aan mijn eerste verbond gedenken, toen Ik hen uit Egypteland voerde voor de ogen der volken, opdat Ik hun God zoude zijn, Ik, de Heer.
26:46 Dit zijn de inzettingen en rechten en wetten, die de Heer tussen zich en de kinderen Israëls gemaakt heeft op den berg Sinaï, door de hand van Mozes.


Leviticus 27
27:1 En de Heer sprak tot Mozes, zeg gende:
27:2 Spreek tot de kinderen Israëls en zeg tot hen: Wanneer iemand den Heer een bijzondere gelofte doet, alzo dat hij zichzelven ene schatting oplegt, zo zal dit de schatting zijn.
27:3 Een man, van twintig jaar oud tot in het zestigste jaar, zult gij schatting op vijftig zilveren sikkels, naar den sikkel des heiligdoms;
27:4 en ene vrouw zult gij schatten op dertig sikkels.
27:5 Van vijf jaar oud tot twintig jaar, zult gij hem schatten op twintig sikkels, als het een man is, maar ene vrouw op tien sikkels.
27:6 Van een maand oud tot vijf jaar, zult gij hem schatten op vijf sikkels zilver, als het een man is, maar ene vrouw op drie sikkels zilver.
27:7 Maar is hij zestig jaar oud en daarboven, zo zult gij hem schatten op vijftien sikkels, als het een man is, maar ene vrouw op tien sikkels.
27:8 Maar is hij te arm voor zulk ene schatting, zo zal hij zich voor den priester stellen, en de priester zal hem schatten; hij zal hem schatten naardat de hand desgenen, die de belofte gedaan heeft, verdienen kan.
27:9 Maar is het een beest, dat men den Heer kan offeren: al wat men van dien aard den Heer gewijd heeft, is heilig.
27:10 Men zal het niet verwisselen noch verruilen, een goed voor een kwaad of een kwaad voor een goed; maar indien iemand het ene beest voor het andere verwisselt, zo zullen beide den Heer heilig zijn.
27:11 Maar is het dier onrein, zodat men het den Heer niet offeren mag, zo zal men dat voor den priester stellen;
27:12 en de priester zal het schatten, of het goed of kwaad is, en bij de schatting des priesters zal het blijven.
27:13 Maar wil iemand dat lossen, die zal het vijfde deel boven de schatting geven.
27:14 Wanneer iemand zijn huis heiligt, opdat het den Heer heilig zij, zo zal de priester het schatten, of het goed of kwaad is; en naardat de priester het schat, zal het gelden.
27:15 Maar indien hij, die het geheiligd heeft, het wil lossen, zo zal hij het vijfde deel van het geld, boven hetgeen waarop het geschat is, daarbij geven; zo zal het weder het zijne worden.
27:16 Wanneer iemand een stuk des akkers van zijn erfgoed den Heer heiligt, zo zal de schatting zijn naar gelang hij opbrengt: brengt hij een homer gerst op, zo zal hij vijftig sikkels zilver gelden.
27:17 En heiligt hij zijnen akker van het jubeljaar af, zo zal hij naar zijne waarde geven;
27:18 maar heeft hij hem na het jubeljaar geheiligd, zo zal de priester hem berekenen naar de overige jaren tot het jubeljaar, en daarnaar minder schatten.
27:19 Maar wil hij, die hem geheiligd heeft, den akker lossen, zo zal hij het vijfde deel van het geld, boven hetgeen waarop hij geschat is, daarbij geven; zo zal hij de zijne worden.
27:20 Doch wil hij hem niet lossen, maar verkoopt hij hem aan een ander, zo zal hij niet meer gelost worden;
27:21 maar deze akker, als hij in het jubeljaar loskomt, zal den Heer heilig zijn als een verbannen akker; en hij zal het erfgoed des priesters zijn.
27:22 Ook als iemand een akker, dien hij gekocht heeft, en die niet zijn erfgoed is, den Heer heiligt,
27:23 zo zal de priester dien berekenen, wat hij geldt tot aan het jubeljaar; en hij zal op dien dag die schatting geven, opdat hij den Heer heilig zij.
27:24 Maar in het jubeljaar zal hij weder aan dengene, komen, van wien hij hem gekocht heeft, opdat hij zijn erfgoed in het land zij.
27:25 Al uwe schatting zal geschieden naar den sikkel des heiligdoms; een sikkel nu doet twintig gera.
27:26 Het eerstgeborene onder het vee, dat den Heer reeds toebehoort, zal niemand den Heer heiligen, hetzij een os of schaap; want het is des Heren.
27:27 Maar is aan het beest iets onreins, zo zal men het lossen naar zijne waarde, en het vijfde deel daarenboven geven; en wil men het niet lossen, zo verkope men het naar zijne waarde.
27:28 Men zal niets, dat verbannen is, hetwelk iemand den Heer verbant van al wat het zijne is, hetzij mens, beest of erfakker, verkopen noch lossen; want al wat verbannen is, is den Heer het allerheiligste.
27:29 Men zal ook geen verbannen mens lossen, maar hij zal den dood sterven.
27:30 Alle tienden in het land, zo van het zaad des lands als van de vruchten der bomen, zijn voor den Heer, en zij zullen den Heer heilig zijn.
27:31 Maar wil iemand zijne tienden lossen, die zal het vijfde deel daarenboven geven.
27:32 En alle tienden van runderen en schapen, en wat onder den herdersstaf gaat, dat is een heilig tiende voor den Heer.
27:33 Men zal niet vragen, of het goed of kwaad is, men zal het ook niet verwisselen; maar indien iemand het verwisselt, zo zal het beide heilig zijn en niet gelost worden.
27:34 Dit zijn de geboden, die de Heer door Mozes gebood aan de kinderen Israëls op den berg Sinaï.

Holy-Writings.com v2.7 (213613) © 2005 - 2015 Emanuel V. Towfigh & Peter Hoerster | Imprint | Change Interface Language: DE EN