Read: OT_25_Klaagliederen


Klaagliederen 1
1:1 Hoe ligt de stad, die vol volk was, zo woest; zij is als een weduwe; zij, die ene vorstin onder de volken, ene koningin in de landen was, moet nu dienen.
1:2 Zij weent des nachts, dat haar de tranen langs de wangen lopen; niemand is er onder al hare vrienden, die haar troost; al hare naburen handelen trouweloos met haar, en zijn hare vijanden geworden.
1:3 Juda is gevankelijk weggevoerd in ellende en zware dienstbaarheid; het woont onder de volken, en vindt geen rust, al zijne vervolgers behandelen het kwalijk.
1:4 De wegen naar Sion liggen woest, want niemand komt tot het feest; al hare poorten staan ledig; hare priesters zuchten; hare jonkvrouwen zien er jammerlijk uit, en zij zelve is bedroefd.
1:5 Hare tegenpartijders hebben de overhand; haar vijanden gaat het wél; want de Heer heeft haar vol jammer gemaakt wegens hare grote zonde; en hare kinderen zijn gevankelijk voor de vijanden uitgetrokken.
1:6 Al het sieraad van Sions dochter is weg; hare vorsten zijn als de herten, die geen weide vinden, en afgemat voor den vervolger uitgaan.
1:7 Jeruzalem gedenkt in dezen tijd. hoe ellendig en verlaten zij is, en hoeveel goeds zij van ouds af gehad heeft; hoe haar volk ter neder ligt onder de vijanden, en niemand haar helpt: hare vijanden zien haar aan, en spotten met hare sabbatten.
1:8 Jeruzalem heeft gezondigd, daarom moet zij zijn gelijk ene onreine; allen, die haar eerden, versmaden haar nu, dewijl zij hare schande zien; maar zij zucht, en heeft zich omgekeerd.
1:9 Hare onreinheid kleeft aan hare zomen; zij had het niet gedacht, dat het haar ten laatste zo zou gaan; zij is schrikkelijk diep gedaald, en heeft niemand, die haar troost. Ach Heer, zie mijne ellende aan, want de vijand is zeer overmoedig.
1:10 De vijand heeft zijne hand aan al hare kleinodiën gelegd; ja, zij moest het aanzien, dat de heidenen in haar heiligdom gingen, van welke Gij geboden hadt, dat zij in uwe gemeente niet zouden komen.
1:11 Al haar volk zucht, en gaat om brood: zij geven hunne kleinodiën voor spijs om de ziel te verkwikken. Ach Heer, zie toch en aanschouw, hoe verachtelijk ik geworden ben.
1:12 U allen zeg ik, gij die voorbijgaat: Aanschouwt toch en ziet, of er ene smart is gelijk aan de smart, die mij getroffen heeft; want de Heer heeft mij vol jammer gemaakt op den dag van zijnen grimmigen toorn.
1:13 Hij heeft een vuur gezonden uit de hoogte in mijne beenderen, en het geweldig laten worden; Hij heeft voor mijne voeten een net gesteld, en mij achterwaarts gedreven; Hij heeft mij tot ene woestijn gemaakt, dat ik dagelijks moet treuren.
1:14 Door zijne straf zijn mijne zware zonden ontwaakt, en in menigte mij op den hals gelegd, zodat mij al mijne kracht vergaan is; de Heer heeft mij zo toegericht, dat ik niet kan opkomen.
1:15 De Heer heeft al mijne helden, die ik had, ter aarde vertrapt; Hij heeft over mij ene bijeenkomst doen uitroepen, om mijne jonge manschap te verderven; de Heer heeft de wijnpers der jonkvrouw, der dochter van Juda, getreden.
1:16 Daarom ween ik, en mijne ogen vloeien van water; omdat de trooster, die mijne ziel verkwikken zou, verre van mij is; mijne kinderen zijn weg, want de vijand heeft de overhand gekregen.
1:17 Sion strekt hare handen uit, en er is niemand, die haar vertroost; de Heer heeft aan Jakobs vijanden rondom hem geboden, dat Jeruzalem onder hen moet zijn als ene onreine.
1:18 De Heer is rechtvaardig, want ik ben zijnen mond ongehoorzaam geweest; hoort, alle volken, en aanschouwt mijne smart; mijne jonge dochters en mijne jongelingen zijn in gevangenschap gegaan.
1:19 Ik riep mijn vrienden toe, maar zij hebben mij bedrogen; mijne priesters en oudsten zijn in de stad versmacht; want zij gaan om brood, opdat zij hunne ziel verkwikken.
1:20 Ach Heer, zie toch, hoe benauwd ik ben; mijn binnenste doet wee; mijn hart keert zich in mij om, want ik ben zeer diep bedroefd; van buiten heeft het zwaard en van binnen heeft de dood mij tot weduwe gemaakt.
1:21 Men hoort, hoe ik zucht, maar ik heb geen trooster; al mijne vijanden horen mijn ongeluk, en verheugen zich, dat Gij dit doet. Dat de dag kome, dien Gij uitroept, dat het hun gaan zal zoals mij.
1:22 Laat al hunne boosheid Vóór U komen, en richt hen toe, zoals Gij mij om al mijne misdaad toegericht hebt; want mijne zuchten zijn vele en mijn hart is bedroefd.

Klaagliederen 2
2:1 Hoe heeft de Heer de dochter van Sion met zijnen toorn omwolkt! Hij heeft Israëls heerlijkheid van den hemel ter aarde geworpen; Hij heeft niet gedacht aan zijne voetbank ten dage zijns toorns.
2:2 De Heer heeft alle woningen van Jakob zonder barmhartigheid verdelgd; Hij heeft de vestingen van Juda's dochter afgebroken in zijne grimmigheid en ze geslecht; Hij heeft haar koninkrijk en hare vorsten ontheiligd.
2:3 Hij heeft den gehelen hoorn van Israël in zijnen grimmigen toorn verbroken; Hij heeft zijne rechterhand teruggetrokken, toen de vijand kwam, en heeft in Jakob een vuur ontstoken, dat van rondom verteert.
2:4 Hij heeft zijnen boog gespannen als een vijand; zijne rechterhand heeft Hij gevoerd als een tegenpartijder, en heeft omgebracht alwat aangenaam was om aan te zien, en zijne grimmigheid uitgestort als een vuur in de hut der dochter van Sion.
2:5 De Heer is als een vijand; Hij heeft Israël verdelgd; Hij heeft al zijne paleizen verdelgd, en heeft zijne vestingen vernield: Hij heeft de dochter van Juda met klachten en leed vervuld.
2:6 Hij heeft zijne tent omgewroet als een hof, en zijne woning vernield; de Heer heeft Sion feestdag en sabbat doen vergeten, en in zijnen grimmigen toorn den koning en den priester smadelijk verworpen.
2:7 De Heer heeft zijn altaar verworpen, zijn heiligdom verbannen; Hij heeft de muren harer paleizen overgegeven in de handen des vijands, dat zij in het huis des Heren gejuicht hebben als op een feestdag.
2:8 De Heer heeft gedacht de muren van Sions dochter te vernielen; Hij heeft het meetsnoer getrokken, en zijne hand niet afgewend, voordat Hij ze verdelgd had; de borstweringen staan droevig, en de muur ligt jammerlijk terneder.
2:9 Hare poorten liggen diep in de aarde; Hij heeft hare grendels verbroken en vernield; haar koning en hare vorsten zijn onder de heidenen, waar zij de wet niet kunnen waarnemen, en hare profeten geen gezicht meer hebben van den Heer.
2:10 De oudsten van Sions dochter liggen op de aarde en zwijgen stil; zij werpen stof op hunne hoofden en hebben zakken aangetrokken; de jonkvrouwen van Jeruzalem laten hare hoofden ternederhangen.
2:11 Ik heb mijne ogen bijna uitgeweend, mijn binnenste doet wee; mijn lever is op de aarde uitgeschud over den jammer der dochter mijns volks, omdat de zuigelingen en onmondigen op de straten der stad versmachten.
2:12 Zij zeggen tot hunne moeders: Waar is brood en wijn? Zij versmachten op de straten der stad als dodelijk gewonden, en geven den geest in de armen hunner moeders.
2:13 O dochter van Jeruzalem, wat zal ik van u getuigen, en waarbij zal ik u vergelijken? O jonkvrouw, dochter van Sion, waarmede zal ik u vergelijken, opdat ik u trooste? Want uwe breuk is zo groot als ene zee, wie kan u helen?
2:14 Uwe profeten hebben u ijdele en dwaze gezichten gepredikt, en uwe misdaad u niet geopenbaard, waarmede zij uwe gevangenschap zouden afgewend hebben, maar zij hebben u ijdele prediking gepredikt, opdat zij u het land uit predikten.
2:15 Allen, die voorbijgaan, klappen in de handen, fluiten en schudden het hoofd over de dochter van Jeruzalem: Is dit die stad, van welke men zeide: Zij is de allerschoonste, over welke de gehele wereld zich verblijdt?
2:16 Al uwe vijanden sperren hunnen mond tegen u op; zij fluiten en laten u de tanden zien, en zeggen: Wij hebben ze verdelgd; ha, dit is de dag, dien wij begeerd hebben; wij hebben het verkregen, wij hebben het beleefd.
2:17 De Heer heeft gedaan hetgeen Hij voorhad; Hij heeft zijn woord vervuld, hetwelk Hij lang tevoren gesproken had; Hij heeft zonder barmhartigheid vernield; Hij heeft den vijand over u verblijd, en den hoorn van uwe tegenpartijders verhoogd.
2:18 Hun hart kreet tot den Heer: O muur van Sions dochter, laat dag en nacht tranen afvloeien als ene beek; houd niet op, en uw oogappel geve zich geen rust.
2:19 Sta bij nacht op en jammer; schud uw hart in de eerste morgenwake voor den Heer uit als water; hef uwe handen tot Hem op voor het leven uwer jonge kinderen, die van honger versmachten aan den ingang van alle straten.
2:20 Heer, aanschouw en zie toch wie Gij zo verdorven hebt: zullen dan vrouwen hare vrucht eten, de kinderkens, die op de armen gedragen worden? Zullen dan de priesters en de profeten in het heiligdom des Heren gedood worden?
2:21 De jongen en de ouden liggen in de straten ter aarde; mijne jonkvrouwen en mijne jongelingen zijn door het zwaard gevallen; Gij hebt gedood op den dag uws toorns; Gij hebt zonder barmhartigheid geslacht.
2:22 Gij hebt mijne vijanden van rondom saamgeroepen als tot een feestdag, dat er niemand in den dag van den toorn des Heren ontkomen noch overgebleven is; die ik opgevoed en grootgebracht heb, heeft de vijand verdelgd.

Klaagliederen 3
3:1 Ik ben een ellendig man, die de roede zijner grimmigheid zien moet.
3:2 Hij heeft mij gevoerd en doen gaan in de duisternis, en niet in het licht,
3:3 Hij heeft zich tegen mij gewend, en bij herhaling zijne hand tegen mij gekeerd.
3:4 Hij heeft mijn vlees en mijne huid oud gemaakt, en mijn gebeente verslagen.
3:5 Hij heeft vestingwerken tegen mij gebouwd, en mij met gal en moeite omringd.
3:6 Hij heeft mij in de duisternis gelegd, als degenen, die sinds lang dood zijn.
3:7 Hij heeft mij ommuurd, dat ik er niet uit kan, en heeft mij in harde boeien gelegd.
3:8 En of ik al roep en schreeuw, zo stopt Hij de oren toe voor mijn gebed.
3:9 Hij heeft mijnen weg versperd met uitgehouwen stenen, en mijne paden verkeerd.
3:10 Hij heeft op mij geloerd als een beer, als een leeuw in het verborgen.
3:11 Hij laat mij den weg missen; Hij heeft mij in stukken gescheurd en vernietigd.
3:12 Hij heeft zijnen boog gespannen, en mij voor zijne pijlen tot doelwit gesteld.
3:13 Hij heeft pijlen uit zijnen pijlkoker tot mijne nieren doen doordringen.
3:14 Ik ben ene bespotting voor al mijn volk, en dagelijks hun spotlied.
3:15 Hij heeft mij met bitterheid verzadigd, en met alsem gedrenkt.
3:16 Hij heeft mijne tanden tot stukjes geslagen; Hij wentelt mij in de as.
3:17 De vrede is uit mijne ziel verdreven; ik moet het goede vergeten.
3:18 Ik moet zeggen: Mijne kracht ligt terneder, alsook mijne hoop op den Heer.
3:19 Gedenk toch, dat ik zo ellendig en verlaten ben, met alsem en gal gedrenkt.
3:20 Gij zult er immers aan denken, want mijne ziel zegt het mij.
3:21 Dit neem ik ter harte; hierom hoop ik nog.
3:22 De goedertierenheid des Heren is het, dat het nog niet geheel met ons uit is; zijne barmhartigheid heeft nog geen einde;
3:23 zij is elken morgen nieuw, en uwe trouw is groot.
3:24 De Heer is mijn deel, spreekt mijne ziel, daarom zal ik op Hem hopen.
3:25 Want de Heer is goed voor hen, die op Hem wachten; voor de ziel, die naar Hem vraagt.
3:26 Het is goed geduldig te zijn, en op de hulp des Heren te hopen.
3:27 Het is goed voor een man, dat hij het juk draagt van zijne jeugd af.
3:28 Dat een verlatene geduldig zij, als hem iets overkomt
3:29 en zijnen mond in het stof steekt en de hoop verwacht,
3:30 en zich op de wang laat slaan, en veel smaad laat aandoen.
3:31 Want de Heer verstoot niet eeuwiglijk;
3:32 Hij bedroeft wel, doch ontfermt zich weder naar zijne grote goedertierenheid;
3:33 want Hij plaagt en bedroeft de mensen niet van harte.
3:34 Als men alle gevangenen op de aarde onder de voeten vertreedt,
3:35 en eens mans recht voor den Allerhoogste buigt,
3:36 en eens mensen zaak verkeert, zou de Heer het niet zien?
3:37 Wie durft dan zeggen, dat iets geschiedt zonder des Heren bevel?
3:38 Komt niet het kwade en het goede uit den mond des Allerhoogsten?
3:39 Hoe klagen dan de lieden in het leven zo? Een ieder [klage] over zijne zonden.
3:40 Laat ons onze wegen onderzoeken en doorzoeken, en ons tot den Heer bekeren.
3:41 Laat ons onze harten en tevens de handen opheffen tot God in den hemel.
3:42 Wij, wij hebben gezondigd en zijn ongehoorzaam geweest, daarom hebt Gij niet verschoond.
3:43 Gij hebt ons met toorn bedekt en ons vervolgd; zonder barmhartigheid hebt Gij gedood.
3:44 Gij hebt U met ene wolk bedekt, waar geen gebed kan Dóórdringen.
3:45 Gij hebt ons tot een uitvaagsel en tot vuilnis gemaakt onder de volken.
3:46 Al onze vijanden sperren den mond tegen ons op.
3:47 Wij worden verdrukt en geplaagd met verschrikking en angst.
3:48 Mijne ogen stromen als waterbeken, wegens den jammer der dochter mijns volks.
3:49 Mijne ogen vloeien zonder ophouden, want er is geen rust,
3:50 totdat de Heer van den hemel nederzie en het aanschouwe.
3:51 Mijn oog put mijn leven uit, wegens de dochters mijner stad.
3:52 Mijne vijanden hebben mij zonder oorzaak gejaagd als een vogel.
3:53 Zij hebben mijn leven in een kuil omgebracht, en stenen op mij geworpen.
3:54 Zij hebben over mijn hoofd ook water uitgestort; ik sprak: Nu is het met mij gedaan.
3:55 Maar ik riep uwen naam aan, Heer, uit den diepen kuil;
3:56 Gij hoordet mijne stem; verberg uwe oren niet voor mijn zuchten en voor mijn schreien.
3:57 Nader tot mij, als ik U aanroep, en zeg: Vrees niet.
3:58 Voer Gij, Heer, de zaak mijner ziel uit, en verlos mijn leven.
3:59 Heer, aanschouw wat al onrecht mij geschiedt, en help mij tot mijn recht.
3:60 Gij ziet al hunne wraak en al hunne gedachten tegen mij.
3:61 Heer, Gij hoort hunne versmading en al hunne gedachten over mij;
3:62 de taal mijner tegenpartijders, en hunne voornemens tegen mij dagelijks.
3:63 Aanschouw toch: wanneer zij nederzitten of opstaan, zingen zij van mij een spotlied.
3:64 Vergeld hun, o Heer, gelijk zij verdiend hebben.
3:65 Laat hun het hart verschrikken, en uw vloek zij over hen.
3:66 Vervolg hen met grimmigheid, en verdelg hen van onder den hemel des Heren.

Klaagliederen 4
4:1 Hoe is het goud zo verdonkerd, het fijne goud zo onkenbaar geworden! De stenen des heiligdoms liggen vooraan op alle straten verstrooid.
4:2 De edele kinderen van Sion, tegen fijn goud geschat, hoe zijn zij geacht als aarden potten, welke een pottenbakker maakt!
4:3 De jakhalzen geven aan hare jongen de borst en zogen ze; maar de dochter mijns volks is onbarmhartig gelijk een struisvogel in de woestijn.
4:4 Den zuigeling kleeft de tong aan het gehemelte van dorst; de jonge kinderen eisen brood, en niemand is er, die het hun mededeelt.
4:5 Wie lekkernijen aten, versmachten op de straten; wie in zijde opgevoed zijn, moeten in het slijk liggen.
4:6 De misdaad der dochter mijns volks is groter dan de zonde van Sodom, dat schielijk omgekeerd werd, en waarbij geen handen kwamen.
4:7 Hare vorsten waren reiner dan sneeuw en zuiverder dan melk; hunne gedaante was roodachtiger dan koralen, hun aangezicht als saffier;
4:8 maar nu is hunne gedaante donker van zwartheid, dat men hen op de straten niet meer kent; hunne huid hangt aan de beenderen, en zij zijn zo dor als een hout.
4:9 De verslagenen door het zwaard waren gelukkiger dan wie van honger stierven; omdat zij, die versmachtten, als doorstoken werden door het gebrek aan vruchten des akkers.
4:10 De barmhartigste vrouwen hebben hare eigene kinderen zelven moeten koken, opdat zij iets te eten hadden in den jammer der dochter mijns volks.
4:11 De Heer heeft zijne grimmigheid volbracht; Hij heeft zijnen grimmigen toorn uitgestort, en Hij heeft te Sion een vuur ontstoken, dat ook hare grondslagen verteerd heeft.
4:12 De koningen der aarde zouden het niet geloofd hebben, noch al de lieden in de wereld, dat de tegenpartijder en vijand de poorten van Jeruzalem zou binnentrekken.
4:13 Maar het is geschied wegens de zonden van hare profeten en om de misdaden van hare priesters, die daarin het bloed der rechtvaardigen vergoten.
4:14 Zij gingen herwaarts en derwaarts op de straten als blinden, en waren met bloed besmet, zodat men ook hunne klederen niet kon aanraken.
4:15 Men riep van hen: Wijkt, hij is onrein, wijkt, wijkt, raakt niet aan! Want zij schuwden hen en meden hen, dat men ook onder de volken zeide: Zij zullen er niet lang blijven.
4:16 Daarom heeft de toorn des Heren hen verstrooid, en Hij wil ze niet meer aanzien, dewijl zij de priesters niet eerden, en aan de oudsten geen barmhartigheid bewezen.
4:17 Nog zagen onze ogen uit naar onze ijdele hulp, totdat zij moede werden; wij zagen uit naar een volk, dat niet helpen kon.
4:18 Men joeg ons na, zodat wij op onze straten niet durfden gaan; toen naderde ons einde, onze dagen waren vol, ach, ons einde was gekomen.
4:19 Onze vervolgers waren sneller dan de arenden onder den hemel; op de bergen hebben zij ons vervolgd, en in de woestijn op ons geloerd.
4:20 De gezalfde des Heren, die onze troost was, is gevangen genomen, toen zij ons vernielden; met wien wij ons troostten, dat wij onder zijne schaduw zouden leven onder de volken.
4:21 Verblijd u en wees vrolijk, gij dochter van Edom, gij, die woont in het land Uz! De beker zal ook aan u komen, gij moet óók dronken en ontbloot worden.
4:22 Uwe misdaad is ten einde, dochter van Sion: Hij zal u niet meer laten wegvoeren; uwe misdaad, dochter van Edom, zal Hij bezoeken, uwe zonden zal Hij ontdekken.

Klaagliederen 5
5:1 Gedenk Heer, hoe het ons gaat; aanschouw en zie onzen smaad aan.
5:2 Ons erf is den vreemden ten deel geworden, en onze huizen den uitlanders.
5:3 Wij zijn wezen en hebben geen vader; onze moeders zijn als weduwen.
5:4 Ons water moeten wij voor geld drinken, ons hout wordt ons tegen betaling gebracht.
5:5 Men drijft ons over den hals; en of wij al moede zijn, zo laat men ons nochtans geen rust.
5:6 Wij hebben ons aan Egypte en Assyrië moeten overgeven, opdat wij brood genoeg zouden te eten hebben.
5:7 Onze vaders hebben gezondigd en zijn niet meer, en wij moeten hunne misdaad ontgelden.
5:8 Knechten heersen over ons, en er is niemand, die ons redt uit hunne hand.
5:9 Wij moeten ons brood met gevaar van ons leven halen, wegens het zwaard der woestijn.
5:10 Onze huid is verbrand als in den oven, wegens den gruwelijken honger.
5:11 Zij hebben de vrouwen te Sion verkracht, en de jonkvrouwen in de steden van Juda.
5:12 De vorsten zijn door hen opgehangen, en de personen der ouden heeft men niet geëerd.
5:13 De jongelingen hebben molenstenen moeten dragen, en de jonge knapen bezweken onder het houtdragen.
5:14 De ouden zitten niet meer in de poort, en de jongelingen hebben hun snarenspel gestaakt.
5:15 De vreugd onzes harten is ten einde, onze rei is in weeklagen veranderd.
5:16 De kroon onzes hoofds is afgevallen. Wee ons, dat wij zo gezondigd hebben!
5:17 Daarom is ook ons hart bedroefd, en zijn onze ogen duister geworden:
5:18 wegens den berg Sion, dat hij zo woest ligt, en de vossen er over lopen.
5:19 Maar Gij Heer, Gij, die eeuwig blijft, en uw troon altoos en eeuwig,
5:20 waarom wilt Gij ons geheel vergeten, en ons zolang verlaten?
5:21 Heer, breng ons weder tot U, opdat wij wederkeren; vernieuw onze dagen als van ouds.
5:22 Want zoudt Gij ons verworpen hebben, en zozeer op ons vertoornd zijn?


Holy-Writings.com v2.7 (213613) © 2005 - 2015 Emanuel V. Towfigh & Peter Hoerster | Imprint | Change Interface Language: DE EN