Read: OT_38_Zacharia


Zacharia 1
1:1 In de achtste maand van het tweede jaar van Daríus geschiedde het woord des Heren tot Zacharia, den zoon van Berechja, den zoon van Iddo, den profeet, zeggende:
1:2 De Heer is toornig geweest op uwe vaderen.
1:3 Daarom zeg tot hen: Dus spreekt de Heer Zebaôth: Keert u tot Mij, spreekt de Heer Zebaôth, zo zal Ik Mij tot ulieden keren, spreekt de Heer Zebaôth.
1:4 Weest niet gelijk uwe vaderen, aan wie de vorige profeten predikten, zeggende: Dus spreek de Heer Zebaôth: Keert u van uwe kwade wegen en van uwe boze handelingen, maar zij hoorden er niet naar en gaven geen acht op Mij, spreekt de Heer.
1:5 Waar zijn nu uwe vaderen en profeten? Leven zij ook nog?
1:6 Is het niet zo, dat mijne woorden en mijne instellingen, die Ik door mijne knechten, de profeten, heb geboden, uwe vaderen getroffen hebben, zodat zij wederkerende zeiden: Zoals de Heer Zebaôth voorgenomen had ons te doen, naardat wij wandelden en handelden, Zó heeft Hij ons ook gedaan?
1:7 Op den vierentwintigsten dag der elfde maand, dat is de maand Sebat, in het tweede jaar van Daríus, geschiedde het woord des Heren tot Zacharia, den zoon van Berechja, den zoon van Iddo, den profeet, zeggende:
1:8 Ik zag in den nacht, en zie, een man zat op een rood paard en hij hield stil onder de mirten in de landouwe; en achter hem waren rode, bruine en witte paarden.
1:9 En ik zeide: Mijn Heer, wat beduiden deze? En de Engel die met mij sprak, zeide tot mij: Ik zal u tonen wat deze beduiden.
1:10 En de man, die onder de mirten stilhield, antwoordde en zeide: Deze zijn het, die de Heer heeft uitgezonden om het land door te trekken.
1:11 En zij antwoordden den Engel des Heren, die onder de mirten stilhield, en zeiden: Wij zijn door het land getrokken, en zie, alle landen zijn stil.
1:12 Toen antwoordde de Engel des Heren en zeide: Heer Zebaôth, hoelang nog zult Gij u niet ontfermen over Jeruzalem en over de steden van Juda, op welke Gij toornig zijt geweest reeds zeventig jaar lang?
1:13 En de Heer antwoordde den Engel, die met mij sprak, vriendelijke woorden en troostrijke woorden.
1:14 En de Engel, die met mij sprak, zeide tot mij: Predik, zeggende: Dus spreekt de Heer Zebaôth: Ik ijver zeer voor Jeruzalem en Sion;
1:15 maar Ik ben zeer toornig op de trotse volken; want Ik was slechts een weinig toornig, maar zij hebben ten kwade geholpen.
1:16 Daarom spreekt de Heer aldus: Ik zal Mij weder tot Jeruzalem keren met barmhartigheid; en mijn huis zal daar gebouwd worden, spreekt de Heer Zebaôth; ook zal het meetsnoer over Jeruzalem getrokken worden.
1:17 En predik verder, zeggende: Dus spreekt de Heer Zebaôth: Het zal mijn steden weder welgaan en de Heer zal Sion weder vertroosten en zal Jeruzalem weder verkiezen.
1:18 En ik hief mijne ogen op en zag, en zie, daar waren vier hoornen.
1:19 En ik zeide tot den Engel, die met mij sprak: Wat beduiden deze? En hij zeide tot mij: Het zijn de hoornen, die Juda, Israël en Jeruzalem verstrooid hebben.
1:20 En de Heer toonde mij vier smeden.
1:21 Toen zeide ik: Wat zullen die doen? En Hij zeide: Dit zijn de hoornen, die Juda zo verstrooid hebben, dat niemand zijn hoofd heeft kunnen opheffen; maar nu zijn dezen gekomen om hen te verschrikken, om de hoornen der volken af te stoten, die den hoorn tegen het land Juda verheven hebben om het te verstrooien.

Zacharia 2
2:1 En ik hief mijne ogen op en zag, en zie, een man had een meetsnoer in de hand.
2:2 En ik zeide: Waar gaat gij heen? En hij sprak tot mij: Om Jeruzalem te meten en te zien hoe lang en breed het zal zijn.
2:3 En zie, toen de Engel, die met mij sprak, uitging, ging een andere Engel uit, hem tegemoet;
2:4 tot dien sprak hij: Loop dien jongeling achterna en spreek tot hem en zeg: Jeruzalem zal bewoond worden zonder muren, wegens de grote menigte van mensen en vee, die er in zal zijn;
2:5 en Ik zal haar, spreekt de Heer, tot een vurigen muur zijn rondom, en Ik zal Mij in haar midden heerlijk betonen.
2:6 Op, op! vliedt uit het Noorderland, spreekt de Heer; want Ik heb u naar de vier winden des hemels verstrooid, spreekt de Heer.
2:7 Op, Sion! ontloop, gij, die nog bij de dochter van Babel woont!
2:8 Want dus spreekt de Heer Zebaôth: Hij heeft mij een eervolle zending opgedragen tot de volken, die ulieden beroofd hebben; hunne macht heeft een einde; wie u aantast, die tast zijnen oogappel aan.
2:9 Want zie, Ik zal mijne hand over hen bewegen, dat zij een roof zullen worden voor degenen, die hen gediend hebben, zo zult gij gewaarworden, dat de Heer Zebaôth mij gezonden heeft.
2:10 Verheug u en wees vrolijk, gij dochter van Sion; want zie, Ik kom en zal bij u wonen, spreekt de Heer;
2:11 en vele volken zullen in dien tijd den Heer toegevoegd worden en zij zullen mijn volk zijn en Ik zal bij u wonen; en gij zult gewaarworden, dat de Heer Zebaôth mij tot u gezonden heeft.
2:12 En de Heer zal Juda erven voor zijn deel in het heilige land en Hij zal Jeruzalem weder verkiezen.
2:13 Alle vlees zij stil voor den Heer, want Hij heeft zich opgemaakt uit zijne heilige woning.

Zacharia 3
3:1 En mij werd getoond de hogepriester Jozua, staande voor den Engel des Heren, en de satan stond aan zijne rechterhand om hem te wederstaan.
3:2 En de Heer zeide tot den satan: De Heer schelde u, gij satan, ja, de Heer, die Jeruzalem verkoren heeft, schelde u: is deze niet een brandhout, dat uit het vuur is gered?
3:3 En Jozua had onreine klederen aan en stond voor den Engel.
3:4 Deze nu antwoordde en sprak tot degenen, die Vóór hem stonden: Doet de onreine klederen van hem weg. En tot hem sprak hij: Zie, Ik heb uwe zonde van u weggenomen en heb u feestklederen aangetrokken.
3:5 En hij zeide: Zet een reinen hoed op zijn hoofd. En zij zetten een reinen hoed op zijn hoofd en trokken hem klederen aan; en de Engel des Heren stond daarbij.
3:6 En de Engel des Heren betuigde aan Jozua, zeggende:
3:7 Dus spreekt de Heer Zebaôth: Indien gij op mijne wegen zult wandelen en mijne wacht waarnemen, zo zult gij mijn huis regeren en mijne hoven bewaren, en Ik zal u geven uit degenen, die hier staan, dat zij u zullen geleiden.
3:8 Hoor toe, Jozua, gij hogepriester, gij en uwe vrienden, die Vóór u zitten, want zij zijn met elkander een wonderteken; want zie, Ik zal mijnen knecht, de Spruit, doen komen.
3:9 Want zie, op dien enigen steen, dien Ik voor Jozua gelegd heb, zullen zeven ogen zijn; zie, Ik zal zijn graveersel graveren, spreekt de Heer Zebaôth, en Ik zal de zonde dezes lands wegnemen op éénen dag.
3:10 In dien tijd, spreekt de Heer Zebaôth, zal de een den ander nodigen onder den wijnstok en onder den vijgeboom.

Zacharia 4
4:1 En de Engel, die met mij sprak, kwam weder en wekte mij op, gelijk iemand van den slaap opgewekt wordt;
4:2 en hij zeide tot mij: Wat ziet gij? En ik zeide: Zie, ik zie een kandelaar, geheel van goud, met ene olieschaal daarbovenop, aan welken zeven lampen zijn en zeven uitstortbuizen, welke gaan naar het boveneinde van de lamp;
4:3 en twee olijfbomen daarbij, de ene ter rechterzijde van de schaal en de andere ter linkerzijde.
4:4 En ik antwoordde en zeide tot den Engel, die met mij sprak: Mijn Heer, wat beduiden deze?
4:5 En de Engel, die met mij sprak, antwoordde en zeide tot mij: Weet gij niet wat dit is? En ik zeide: Neen, mijn Heer.
4:6 En hij antwoordde en sprak tot mij: Dit is het woord des Heren tot Zerubbabel: Het zal niet door een heir of door kracht, maar door mijnen Geest geschieden, spreekt de Heer Zebaôth.
4:7 Wie zijt gij, grote berg? Gij moet nochtans voor Zerubbabel een vlak veld zijn; en hij zal den eersten steen tevoorschijn brengen, dat men roepen zal: Veel geluk, veel geluk!
4:8 En het woord des Heren geschiedde tot mij, zeggende:
4:9 De handen van Zerubbabel hebben dit huis gegrond, zijne handen zullen het ook voltooien, opdat gij gewaarwordt, dat de Heer mij tot u gezonden heeft.
4:10 Want wie is er, die den dag der kleine [beginselen] veracht? Zij zullen zich verblijden, als zij het richtsnoer zien in Zerubbabels hand; die zeven zijn de ogen des Heren, die het gehele land doorlopen.
4:11 En ik antwoordde en zeide tot hem: Wat zijn die twee olijfbomen ter rechter [zijde] en ter linkerzijde van den kandelaar?
4:12 En ik antwoordde en zeide andermaal tot hem: Wat zijn die twee takken der olijfbomen, staande bij de twee gouden pijpen van den gouden kandelaar, waardoor zij hun vocht in den gouden kandelaar uitgieten?
4:13 En hij zeide tot mij: Weet gij niet wat die beduiden? En ik zeide: Neen, mijn Heer.
4:14 En hij zeide: Dit zijn de twee gezalfde spruiten, die voor den Heerser der gehele aarde staan.

Zacharia 5
5:1 En ik hief mijne ogen weder op en zag, en zie, daar was ene vliegende boekrol
5:2 En hij sprak tot mij: Wat ziet gij? En ik zeide: Ik zie ene vliegende boekrol, die is twintig el lang en tien el breed.
5:3 En hij zeide tot mij: Dit is de vloek, die over het gehele land uitgaat; want alle dieven zullen volgens deze rol gestraft en allen meineedigen zal volgens deze rol vergolden worden.
5:4 Ik wil den vloek voortbrengen, spreekt de Heer Zebaôth, dat hij zal komen over het huis van den dief en over het huis dergenen, die bij mijnen naam valschelijk zweren, en hij zal blijven in hun huis en zal het verteren, zo hout als stenen.
5:5 En de Engel, die met mij sprak, ging uit en zeide tot mij: Hef uwe ogen op en zie, wat gaat daaruit?
5:6 En ik zeide: Wat is dit? En hij sprak: Een efa gaat daaruit. En hij zeide: Dit is hunne gedaante in het gehele land.
5:7 En zie, men lichtte een deksel van lood op; en er was ene vrouw, die zat in het midden der efa.
5:8 En hij zeide: Dit is de goddeloosheid. En hij wierp haar midden in de efa en wierp den klomp lood boven op haren mond.
5:9 En ik hief mijne ogen op en zag en zie, twee vrouwen gingen er uit en hadden vleugels, welke de wind dreef, en de vleugels waren als ooievaarsvleugels; en zij voerden de efa tussen aarde en hemel.
5:10 En ik zeide tot den Engel, die met mij sprak: Waar voeren dezen de efa heen?
5:11 En hij zeide tot mij: Om voor haar een huis te stichten in het land Sinear; daar zal zij gevestigd worden op haar grondstuk.

Zacharia 6
6:1 En ik hief mijne ogen weder op en zag, en zie, daar waren vier wagens, die kwamen van tussen twee bergen tevoorschijn; en die bergen waren van koper.
6:2 Aan den eersten wagen waren rode paarden, aan den tweeden wagen waren zwarte paarden,
6:3 aan den derden wagen waren witte paarden, aan den vierden waren waren gevlekte, moedige paarden.
6:4 En ik antwoordde en zeide tot den Engel, die met mij sprak: Mijn Heer, wat beduiden deze?
6:5 De Engel antwoordde en sprak tot mij: Dit zijn de vier winden des hemels, die uitgaan van waar zij stonden voor den Heerser aller landen.
6:6 De zwarte paarden, die aan den enen waren, gingen naar het Noorden en de witte gingen hen achterna, en de gevlekte naar het Zuiden.
6:7 En de moedige gingen en vertrokken om door de gehele aarde te trekken; want hij zeide: Gaat heen en trekt door de aarde. En zij trokken door de aarde.
6:8 En hij riep mij en sprak tot mij, zeggende: Zie, die naar het Noorden trekken, doen mijnen Geest rusten op het land van het Noorden.
6:9 En het woord des Heren geschiedde tot mij, zeggende:
6:10 Neem van de gevangenen, die uit Babel gekomen zijn, namelijk van Heldai, van Tobía en van Jedaja; en kom ook op denzelfden dag en ga in het huis van Josía, den zoon van Zefanja.
6:11 Neem zilver en goud en maak kronen en zet ze op het hoofd van Jozua, den zoon van Jozadak, den hogepriester; en zeg tot hem:
6:12 Dus spreekt de Heer Zebaôth: Zie, daar is een man, wiens naam Spruit is; want uit zijnen grond zal hij opspruiten en hij zal den tempel des Heren bouwen;
6:13 ja, hij zal den tempel des Heren bouwen, en zal sieraad dragen en zal zitten en heersen op zijnen troon; hij zal ook priester zijn op zijnen troon, en er zal vrede tussen die beide [bedieningen] zijn.
6:14 En deze kronen zullen voor Helem, Tobía, Jedaja en Hen, den zoon van Zefanja, tot ene gedachtenis zijn in den tempel des Heren.
6:15 En van verre zullen komen die aan den tempel des Heren zullen bouwen; dan zult gij gewaarworden, dat de Heer Zebaôth mij tot u gezonden heeft. En dit zal geschieden, indien gij zult horen naar de stem van den Heer uwen God.

Zacharia 7
7:1 En in het vierde jaar van koning Daríus geschiedde het woord des Heren tot Zacharia, op den vierden dag der negende maand, genaamd Kislew;
7:2 toen die van Bethel, namelijk Sarézer en Rezem-Mélech benevens hunne lieden, zonden om te aanbidden voor den Heer;
7:3 om de priesters, die rondom het huis des Heren Zebaôth waren, en de profeten te vragen: Moet ik ook nog wenen in de vijfde maand en mij onthouden, gelijk ik nu enige jaren gedaan heb?
7:4 En het woord des Heren Zebaôth geschiedde tot mij, zeggende:
7:5 Zeg tot al het volk in het land en tot de priesters en spreek: Toen gij vasttet en rouwdroegt in de vijfde en zevende maand, gedurende deze zeventig jaar, hebt gij toen voor Mij gevast?
7:6 Of toen gij at en dronkt, hebt gij niet voor uzelven gegeten en gedronken?
7:7 Is dit niet hetgeen de Heer liet prediken door de vorige profeten, toen Jeruzalem bewoond en in rust was, benevens hare steden rondom, en toen er lieden woonden beide tegen het Zuiden en in de laagte?
7:8 En het woord des Heren geschiedde tot Zacharia, zeggende:
7:9 Dus spreekt de Heer Zebaôth: Weest rechtvaardig in uw vonnis spreken, en ieder bewijze aan zijnen broeder goedertierenheid en barmhartigheid;
7:10 en doet geen onrecht aan weduwen, wezen, vreemdelingen en armen; en niemand overlegge iets kwaads in zijn hart tegen zijnen broeder.
7:11 Maar zij wilden niet opmerken, en keerden mij den rug toe; en zij verstokten hunne oren, dat zij niet hoorden;
7:12 en zij maakten hun hart als diamant; dat zij niet hoorden naar de wet en de woorden, welke de Heer Zebaôth zond door zijnen Geest, door de vorige profeten: weshalve er zo grote toorn van den Heer Zebaôth gekomen is.
7:13 Maar het is geschied, dat, gelijk zij niet hoorden, toen er gepredikt werd, Ik ook niet wilde horen, toen zij riepen, spreekt de Heer Zebaôth.
7:14 Daarom heb Ik hen verstrooid onder alle volken, die zij niet kenden, en het land is achter hen woest gebleven, dat er niemand in wandelde noch woonde; en het heerlijke land is in ene woestenij verkeerd.

Zacharia 8
8:1 En het woord des Heren geschiedde tot mij, zeggende:
8:2 Dus spreekt de Heer Zebaôth: Ik heb zeer over Sion geijverd, ja in groten toorn heb Ik over haar geijverd.
8:3 Dus spreekt de Heer: Ik zal wederkeren tot Sion en wil te Jeruzalem wonen; en Jeruzalem zal de getrouwe stad genoemd worden en de berg des Heren Zebaôth, berg der heiligheid.
8:4 Dus spreekt de Heer Zebaôth: Er zullen nog voortaan in de straten te Jeruzalem oude mannen en vrouwen wonen, die met stokken gaan vanwege den hogen ouderdom;
8:5 en de straten dier stad zullen vol zijn van knaapjes en meisjes, die op hare straten spelen.
8:6 Dus spreekt de Heer Zebaôth: Schijnt dit onmogelijk te zijn in de ogen van dit overschot des volks in dezen tijd, zou het daarom ook onmogelijk zijn in mijne ogen, spreekt de Heer Zebaôth?
8:7 Dus spreekt de Heer Zebaôth: Zie, Ik zal mijn volk verlossen uit het land tegen den opgang en uit het land tegen den ondergang der zon,
8:8 en Ik zal hen herwaarts voeren, dat zij in Jeruzalem wonen; en zij zullen mijn volk zijn en Ik zal hun God zijn, in waarheid en gerechtigheid.
8:9 Dus spreekt de Heer Zebaôth: Versterkt uwe handen, gij, die in dezen tijd woorden hoort uit den mond der profeten, ten dage toen de grond gelegd is van het huis des Heren Zebaôth, dat de tempel gebouwd werd.
8:10 Want Vóór deze dagen was de arbeid der mensen vergeefs en de arbeid der lastdieren was niets; en er was geen vrede voor den uitgaande en inkomende vanwege den vijand, maar Ik liet alle mensen gaan elk tegen zijnen naaste.
8:11 Doch nu wil Ik niet gelijk in de vorige dagen met de overgeblevenen dezes volks handelen, spreekt de Heer Zebaôth;
8:12 maar zijn zaad zal welvaart hebben en de wijnstok zal zijne vrucht geven, en het land zal zijn gewas geven en de hemel zal zijnen dauw geven, en Ik zal de overgeblevenen van dit volk in het bezit van dit alles stellen;
8:13 en het zal geschieden, gelijk gij, o huis van Juda en o huis van Israël, een vloek geweest zijt onder de volken, zo zal Ik u verlossen, dat gij een zegen zult zijn: vreest slechts niet en versterkt uwe handen.
8:14 Want dus spreekt de Heer Zebaôth: Gelijk Ik dacht u te plagen, toen uwe vaderen Mij vertoornden, spreekt de Heer Zebaôth, en het berouwde Mij niet:
8:15 alzo denk Ik nu wederom in deze dagen Jeruzalem en het huis van Juda wél te doen: vreest slechts niet.
8:16 Maar dit is het, wat gij moet doen: spreekt waarheid ieder met zijnen naaste; vonnist rechtvaardig en beschikt vrede in uwe poorten;
8:17 en niemand overlegge iets kwaads in zijn hart tegen zijnen naaste en hebt geen valse eden lief; want dit alles haat Ik, spreekt de Heer.
8:18 En het woord des Heren Zebaôth geschiedde tot mij, zeggende:
8:19 Dus spreekt de Heer Zebaôth: De vastentijden der vierde, vijfde, zevende en tiende maand zullen voor het huis van Juda tot vreugde en blijdschap en tot vrolijke jaarfeesten worden; hebt slechts de waarheid en den vrede lief.
8:20 Dus spreekt de Heer Zebaôth: Verder zullen nog vele volken komen en ingezetenen van machtige steden;
8:21 en de ingezetenen van de ene stad zullen gaan tot die der andere, zeggende: Laat ons gaan om te aanbidden voor den Heer en den Heer Zebaôth te zoeken; wij zullen ook met u gaan.
8:22 Alzo zullen vele volken en machtige natiën komen om den Heer Zebaôth te Jeruzalem te zoeken en te aanbidden voor den Heer.
8:23 Dus spreekt de Heer Zebaôth: In dien tijd zullen tien mannen, uit alle tongen der volken, een Joodsen man bij de slip grijpen, zeggende: Wij willen met u gaan, want wij horen, dat God met ulieden is.

Zacharia 9
9:1 Dit is de last, van welken de Heer spreekt over het land van Hadrach en Damaskus, zijne rustplaats; want de Heer ziet op de mensen en op al de stammen van Israël,
9:2 alsook over Hamath, dat aan haar grenst; ook over Tyrus en Sidon, die zeer wijs zijn.
9:3 Want Tyrus bouwt vestingen en verzamelt zilver als zand en goud als slijk op de straat;
9:4 maar zie, de Heer zal haar uitdrijven en zal hare macht, die zij op de zee heeft, verslaan, dat zij zal zijn als met vuur verbrand.
9:5 Als Askelon dat zal zien, zal zij verschrikken en Gaza zal zeer bedroefd worden, ook Ekron, omdat hun toeverlaat te schande wordt, en het zal uit zijn met den koning van Gaza; en te Askelon zal men niet wonen;
9:6 in Asdod zullen vreemden wonen en Ik zal de pracht der Filistijnen uitroeien;
9:7 en Ik wil hun bloed uit hunnen mond wegdoen en hunne gruwelen van tussen hunne tanden; dat zij ook voor onzen God zullen overblijven, dat zij worden als vorsten in Juda, en Ekron als de Jebusiet.
9:8 En Ik zelf zal rondom mijn huis het leger zijn tegen de heen [trekkenden] en weder trekkenden, opdat de drijver hen niet meer overvalle; want nu heb Ik het met mijne ogen gezien.
9:9 Maar gij, dochter van Sion, verheug u zeer, en gij, dochter van Jeruzalem, juich: zie, uw koning komt tot u, een rechtvaardige en een helper; zachtmoedig en rijdende op een ezel en op een jong veulen ener ezelin.
9:10 Want Ik zal de wagens uit Efraïm wegdoen en de paarden uit Jeruzalem; en de strijdboog zal verbroken worden. Want hij zal onder de volken vrede leren: en zijne heerschappij zal zijn van de ene zee tot aan de andere en van de rivier tot aan de einden der wereld.
9:11 En gij, om het bloed uws verbonds heb Ik uwe gevangenen uit den kuil gelaten, waarin geen water is.
9:12 Zo keert u nu tot de vesting, gij gevangenen, die hoopt; want ook heden verkondig Ik het: Ik zal u dubbel vergelden.
9:13 Want Ik heb mij Juda gespannen tot een boog en Efraïm toegerust en zal uwe zonen, o Sion, verwekken tegen uwe zonen, o Griekenland, en zal u maken tot een zwaard der reuzen.
9:14 En de Heer zal over hen verschijnen en zijne pijlen zullen uitschieten als bliksemschichten; en de Heere Heere zal de bazuin blazen en zal voorttreden met de onweders van het Zuiden.
9:15 De Heer Zebaôth zal hen beschutten, dat zij om zich eten, en onderwerpen met slingerstenen, dat zij drinken en tieren als bij den wijn en vol worden als de bekkens en als de hoeken des altaars;
9:16 en de Heer, hun God, zal hen in dien tijd helpen als de kudde zijns volks; want als edele stenen zullen zij schitteren in het land.
9:17 Hoe goed en schoon toch zal het zijn! Het koren zal de jongelingen en de most de jonge dochters doen wassen.

Zacharia 10
10:1 Zo bidt nu van den Heer spaden regen, zo zal de Heer de donderwolk maken en u regen genoeg geven voor al het gewas op het veld.
10:2 Want de afgoden spreken enkel moeite, en wat de waarzeggers zien is enkel leugen; zij spreken nietige dromen en hun troost is niets: daarom gaan zij dwalende als ene kudde en zijn versmacht, dewijl er geen herder is.
10:3 Mijn toorn is over de herders ontstoken en Ik zal de bokken bezoeken; want de Heer Zebaôth zal zijne kudde bezoeken, namelijk het huis van Juda, en zal hen toerusten als een versierd paard tot den strijd.
10:4 De hoekstenen, nagels, strijdbogen en drijvers zullen alle uit hen voortkomen.
10:5 En zij zullen zijn als de reuzen, die in den strijd het slijk op de straten treden, zo zullen zij strijden; want de Heer zal met hen zijn, dat de ruiters te schande worden.
10:6 En Ik zal het huis van Juda sterken en het huis van Jozef helpen en zal hen weder inzetten; want Ik ontferm Mij over hen en zij zullen zijn gelijk zij waren, toen Ik ze niet verstoten had; want Ik, de Heer, hun God, zal hen verhoren.
10:7 En Efraïm zal zijn als een reus en hun hart zal vrolijk worden als van den wijn: ook hunne kinderen zullen het zien en zich verblijden en hun hart zal juichen in den Heer.
10:8 Ik zal hen aanblazen en hen vergaderen; want Ik zal hen verlossen en zij zullen zich vermeerderen, gelijk zij zich te voren vermeerderd hebben.
10:9 En Ik zal hen onder de volken zaaien, dat zij aan Mij gedenken in verre landen; en zij zullen met hunne kinderen leven en wederkomen.
10:10 Want Ik zal hen wederbrengen uit Egypteland en zal hen vergaderen uit Assyrië, en zal hen brengen in het land van Gilead en van den Libanon, dat men geen ruimte genoeg zal vinden.
10:11 En zij zullen door ene zee van angst gaan en de golven der zee slaan, dat alle diepten des waters verdrogen zullen: daar zal dan de trots van Assyrië vernederd worden en de schepter van Egypte zal wijken.
10:12 Ik zal hen sterken in den Heer, dat zij zullen wandelen in zijnen naam, spreekt de Heer.

Zacharia 11
11:1 Doe uw deuren open, o Libanon, opdat het vuur uwe cederen vertere.
11:2 Jammert, o dennen, want de cederen zijn gevallen en de heerlijke bomen zijn verwoest: jammert, gij eiken van Basan, want het dichte woud is omvergehouwen.
11:3 Men hoort de herders jammeren, want hunne heerlijkheid is verwoest; men hoort de jonge leeuwen brullen, want de trots des Jordaans is verwoest.
11:4 Dus spreekt de Heer, mijn God: Weid deze slachtschapen;
11:5 want hunne heren slachten ze en houden het voor geen zonde; zij verkopen ze en zeggen: Geloofd zij de Heer, ik ben nu rijk; en hunne herders verschonen ze niet.
11:6 Daarom wil Ik ook de inwoners in het land niet meer verschonen, spreekt de Heer; en zie, Ik zal de lieden overleveren, den een in de hand des anderen en in de hand zijns konings, dat zij het land verbrijzelen, en Ik zal hen niet redden uit hunne hand.
11:7 En Ik hoedde de slachtschapen, omdat zij ellendig waren; en Ik nam tot mij twee herdersstaven, den enen noemde ik Liefelijkheid en den anderen noemde Ik Vereniging; en Ik hoedde de schapen.
11:8 En Ik verdelgde drie herders in ééne maand; want Ik werd van hen afkerig, ook wilden ze Mij niet.
11:9 En Ik zeide: Ik wil u niet hoeden; wat sterft, dat sterve; wat versmacht, dat versmachte; en van de overigen verslinde de een des anderen vlees.
11:10 Toen nam Ik mijnen staf Liefelijkheid en verbrak hem, vernietigende mijn verbond, hetwelk Ik gemaakt had met alle volken;
11:11 en het werd vernietigd te dien dage en de ellendige schapen, die op Mij wachtten, merkten toen, dat dit het woord des Heren was.
11:12 En Ik sprak tot hen: Indien het goed is in uwe ogen, zo brengt mijn loon; zo niet, laat het na. En zij wogen Mij mijn loon toe, dertig zilverlingen.
11:13 En de Heer sprak tot mij: Werp ze weg, dat zij den pottenbakker gegeven worden: ene voortreffelijke som, die Ik door hen ben waardig geschat! En ik nam de dertig zilverlingen en wierp ze in het huis des Heren, opdat zij den pottenbakker gegeven werden.
11:14 En Ik verbrak mijnen tweeden staf Vereniging, vernietigende de broederschap tussen Juda en Israël.
11:15 En de Heer sprak tot mij: Neem nog eens tot u het gereedschap van een dwazen herder;
11:16 want zie, Ik zal u herders in het land verwekken, die voor het versmachte geen zorg dragen, het verdoolde niet opzoeken en het verbrokene niet helen en het gezonde niet verzorgen zullen, maar het vlees der vette schapen zullen zij opeten en hunne klauwen verscheuren.
11:17 Wee den nietswaardigen herders, die de kudde verlaten: het zwaard kome tegen hunnen arm en tegen hun rechteroog, hun arm verdorre en hun rechteroog worde donker!

Zacharia 12
12:1 Dit is de last van het woord des Heren over Israël. De Heer spreekt, die den hemel uitbreidt en de aarde grondvest en den adem des mensen in hem maakt.
12:2 Zie, Ik zal Jeruzalem tot een zwijmelbeker stellen voor alle volken, die rondom zijn; want het zal Juda ook gelden, als Jeruzalem belegerd wordt.
12:3 Nochtans te dien dage zal Ik Jeruzalem maken tot een laststeen voor alle volken: allen, die hem willen optillen, zullen er zich aan snijden. Tegen haar zullen zich alle volken der aarde vergaderen.
12:4 In dien tijd, spreekt de Heer, zal Ik alle paarden schuw en hunne ruiters bang maken; doch over Juda's huis zal Ik mijne ogen open hebben en alle paarden met blindheid slaan.
12:5 En de vorsten van Juda zullen zeggen in hun hart: De ingezetenen van Jeruzalem zullen mijne sterkte zijn in den Heer Zebaôth, hunnen God.
12:6 In dien tijd zal Ik de vorsten van Juda maken gelijk een vurigen oven voor het hout en gelijk een fakkel voor het stro, dat zij ter rechter [hand] en ter linkerhand alle volken rondom verteren; maar Jeruzalem zal op haren grond gevestigd blijven, waar steeds Jeruzalem was.
12:7 En de Heer zal de hutten van Juda helpen als eertijds, opdat Davids huis zich niet hoog beroeme, noch de ingezetenen van Jeruzalem tegen Juda.
12:8 In dien tijd zal de Heer de ingezetenen van Jeruzalem beschermen; en het zal geschieden, dat wie zwak zal zijn onder hen in dien tijd, die zal zijn als David; en Davids huis zal zijn als God, als de Engel des Heren voor hun aangezicht.
12:9 En in dien tijd zal Ik Mij zetten om alle volken te verdelgen, die tegen Jeruzalem zijn opgetrokken.
12:10 Doch over Davids huis en over de ingezetenen van Jeruzalem zal Ik uitstorten den Geest der genade en des gebeds, en zij zullen Mij aanzien, dien zij doorstoken hebben, en zullen rouw over hem bedrijven gelijk men rouw bedrijft over een enig kind, en zullen zich over hem bedroeven gelijk men zich bedroeft over een eerstgeborene.
12:11 In dien tijd zal er ene grote rouw zijn te Jeruzalem, gelijk de rouw van Hadad-Rimmon in het veld van Megiddon;
12:12 en het land zal rouw bedrijven, elk geslacht afzonderlijk: het geslacht van Davids huis afzonderlijk en hunne vrouwen afzonderlijk, het geslacht van Nathans huis afzonderlijk en hunne vrouwen afzonderlijk,
12:13 het geslacht van Levi afzonderlijk en hunne vrouwen afzonderlijk, het geslacht van Simeï afzonderlijk en hunne vrouwen afzonderlijk;
12:14 alzo alle overige geslachten, elk afzonderlijk en hunne vrouwen ook afzonderlijk.

Zacharia 13
13:1 In dien tijd zal er voor Davids huis en voor de ingezetenen van Jeruzalem ene bron geopend zijn tegen de zonde en onreinheid.
13:2 En te dien tijde, spreekt de Heer Zebaôth, zal Ik de namen der afgoden uitroeien uit het land, dat men er niet meer aan gedenken zal; ook zal Ik de profeten en onreine geesten uit het land drijven.
13:3 En het zal geschieden, wanneer iemand voortaan profeteert, zo zullen zijn vader en zijne moeder, die hem voortgebracht hebben, tot hem zeggen: Gij zult niet leven, want gij spreekt leugen in den naam des Heren; en alzo zullen zijn vader en zijne moeder, die hem voortgebracht hebben, hem doorsteken, indien hij profeteert.
13:4 Want in dien tijd zal het geschieden, dat die profeten zich schamen zullen over hunne gezichten, als zij daarvan profeteren; en zij zullen niet meer een ruigen mantel aantrekken om te bedriegen;
13:5 maar hij zal zeggen: Ik ben geen profeet, ik ben een akkerman; want van mijne jeugd af ben ik in dienst van mensen geweest.
13:6 En als men tot hem zal zeggen: Wat zijn dit voor wonden in uwe handen? dan zal hij zeggen: Zo ben ik geslagen in het huis dergenen, die mij liefhadden.
13:7 Zwaard, maak u op over mijnen herder en over den man, die Mij den naaste is, spreekt de Heer Zebaôth; sla den herder, zo zal de kudde zich verstrooien; en Ik zal mijne hand keren tot de geringen.
13:8 En het zal geschieden, spreekt de Heer, twee delen, die in het ganse land zijn, zullen uitgeroeid worden en ondergaan en het derde deel zal daarin overblijven;
13:9 en Ik zal dit derde deel in het vuur brengen en het louteren gelijk men goud beproeft; dit zal dan mijnen naam aanroepen en Ik zal het verhoren; Ik zal zeggen: Het is mijn volk, en zij zullen zeggen: De Heer is mijn God.

Zacharia 14
14:1 Zie, de dag des Heren komt, dat men uwen buit zal uitdelen in het midden van u;
14:2 want Ik zal allerlei volken tegen Jeruzalem verzamelen tot den strijd en de stad zal ingenomen, de huizen geplunderd en de vrouwen geschonden worden; en de helft der stad zal gevankelijk weggevoerd worden, maar het overige volk zal niet uit de stad uitgeroeid worden.
14:3 Want de Heer zal uittrekken en strijden tegen die volken, gelijk Hij pleegt te strijden ten tijde des oorlogs;
14:4 en zijne voeten zullen te dien tijde staan op den Olijfberg, die Vóór Jeruzalem ligt, tegen het Oosten: en de Olijfberg zal middendoor gespleten worden naar het Oosten en naar het Westen, zeer wijd van elkander; dat de ene helft des bergs tegen het Noorden en de andere tegen het Zuiden zal overhellen.
14:5 Dan zult gij vlieden in het dal tussen mijne bergen, want het dal tussen de bergen zal zich tot Azel toe uitstrekken; en gij zult vlieden, gelijk gij eertijds vloodt voor de aardbeving ten tijde van Uzzía, den koning van Juda; want de Heer, mijn God, zal komen en alle heiligen met u.
14:6 In dien tijd zal er geen licht zijn, maar koude en vorst;
14:7 en het zal één dag zijn, den Heer bekend, die noch dag noch nacht is; maar tegen den avond zal het licht zijn.
14:8 En in dien tijd zullen er levende wateren uitvloeien uit Jeruzalem, de ene helft naar de Oostzee en de andere helft naar de uiterste zee: en het zal duren des zomers en des winters.
14:9 En de Heer zal koning zijn over alle landen; in dien tijd zal de Heer één zijn en zijn naam één.
14:10 En men zal in het gehele land rondom gaan als op een vlak veld, van Geba af tot Rimmon toe, tegen het Zuiden van Jeruzalem; want zij zal verheven worden en blijven in hare plaats, van de poort van Benjamin af tot aan de plaats der eerste poort, tot aan de hoekpoort toe, en van den toren Hananeël af tot aan des konings wijnpersen toe;
14:11 en men zal daarin wonen en er zal geen banvloek meer zijn, want Jeruzalem zal geheel veilig wonen.
14:12 En dit zal de plaag zijn, waarmede de Heer al de volken zal plagen, die tegen Jeruzalem gestreden hebben: hun vlees zal verrotten, terwijl zij nog op hunne voeten staan, en hunne ogen zullen wegkwijnen in de holten en hunne tong zal verdrogen in den mond.
14:13 In dien tijd zal de Heer een groot gedruis onder hen aanrichten, dat de een den ander bij de hand zal vatten en zijne hand op des anderen hand leggen.
14:14 Ook Juda zal binnen Jeruzalem strijden, opdat verzameld worden de goederen van alle volken, die rondom zijn: goud, zilver en klederen in grote menigte.
14:15 En zo zal dan deze plaag gaan over paarden, muilezels, kamelen, ezels en allerlei dieren, die in dat heir zijn, zoals gene geplaagd zijn.
14:16 En alle overgeblevenen onder alle volken, die tegen Jeruzalem optrokken, zullen jaarlijks opkomen om den Koning, den Heer Zebaôth, te aanbidden en het Loofhuttenfeest te vieren;
14:17 en zo enig geslacht der aarde niet zal opkomen naar Jeruzalem om den koning, den Heer Zebaôth, te aanbidden, over deze zal het niet regenen.
14:18 En indien het geslacht der Egyptenaars niet opgaat noch komt, zo zal het over hen niet regenen. Dat zal de plaag zijn, met welke de Heer alle volken zal plagen, die niet opkomen om het Loofhuttenfeest te vieren;
14:19 dit zal de straf der Egyptenaars en de straf aller volken zijn, die niet opkomen om het Loofhuttenfeest te vieren.
14:20 In dien tijd zal op het blinkend tuig der paarden [geschreven staan]: Heiligheid des Heren. En de potten in het huis des Heren zullen zijn als de bekkens Vóór het altaar.
14:21 Want alle potten, zo in Jeruzalem als in Juda, zullen den Heere Zebaôth heilig zijn; zodat allen, die offeren willen, zullen komen en ze nemen en daarin koken; en er zal geen Kanaäniet meer zijn in het huis des Heren Zebaôth in dien tijd.


Holy-Writings.com v2.7 (213613) © 2005 - 2015 Emanuel V. Towfigh & Peter Hoerster | Imprint | Change Interface Language: DE EN