فهرست همموضعی (KWIC) KWIC
این چیست؟
Keyword-in-Context shows every occurrence of a word across the texts you choose, one line each, with the word aligned in the middle and its surrounding words on either side. Reading down the centre column lets you see at a glance how the word is used — its recurring neighbours, fixed phrases, and different senses across traditions. It's a tool for studying a word; to find a passage to read, use Search instead.
یا یک پوشه را در درخت متون انتخاب کنید:
500 بار تکرار tor در 78 متن در /nl/Christendom · نمایش 500 مورد اول
| nl/Christendom/1 Corinthiërs 1.txt 2 | ||
|---|---|---|
| uwe kennis verloren gaan, om wiens wil nochtans Christus ges | tor | ven is. 8:12 Maar indien gij alzo tegen de broeders zondigt, |
| overgeleverd, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus ges | tor | ven is voor onze zonden, naar de Schrift, 15:4 en dat hij be |
| nl/Christendom/Jozua 1.txt 5 | ||
| en dienaar van Mozes, zeggende: 1:2 Mijn knecht Mozes is ges | tor | ven, zo maak u nu op en trek over dezen Jordaan, gij en dit |
| het mannelijk geslacht, besneed: alle krijgslieden waren ges | tor | ven in de woestijn op den weg, toen zij uit Egypte trokken; |
| n groot krijgsgeschreeuw maken; dan zullen de stadsmuren ins | tor | ten, en het volk zal er invallen, een ieder recht voor zich |
| t, en het leger van Isral tot een ban stelt en in ongeluk s | tor | t. 6:19 Maar al het zilver en goud, met de koperen en ijzere |
| n brachten het tot Jozua en tot al de kinderen Israls, en s | tor | tten het uit voor den Heer. 7:24 Toen nam Jozua, en geheel I |
| nl/Christendom/Zacharia 1.txt 3 | ||
| haal daarbovenop, aan welken zeven lampen zijn en zeven uits | tor | tbuizen, welke gaan naar het boveneinde van de lamp; 4:3 en |
| Davids huis en over de ingezetenen van Jeruzalem zal Ik uits | tor | ten den Geest der genade en des gebeds, en zij zullen Mij aa |
| aats der eerste poort, tot aan de hoekpoort toe, en van den | tor | en Hananeël af tot aan des konings wijnpersen toe; 14:11 en |
| nl/Christendom/Handelingen 1.txt 13 | ||
| ker verworven voor het onrechtvaardige loon, en voorover ges | tor | t, is hij door midden gebarsten, en al zijne ingewanden zijn |
| in de laatste dagen, zegt God, Ik zal van mijnen Geest uits | tor | ten op alle vlees; en uwe zonen en dochters zullen profetere |
| ijne dienstmaagden zal Ik in die dagen van mijnen Geest uits | tor | ten, en zij zullen profeteren. 2:19 En Ik zal wonderen geven |
| mij vrij tot u spreken van den aartsvader David. Hij is ges | tor | ven en begraven en zijn graf is bij ons tot op dezen dag. 2: |
| belofte des Heiligen Geestes van den Vader, heeft hij uitges | tor | t hetgeen gij nu ziet en hoort. 2:34 Want David is niet ten |
| ben hem horen zeggen: Jezus van Nazaret zal deze plaats vers | tor | en, en de zeden veranderen, welke Mozes ons gegeven heeft. 6 |
| aldeën, en woonde in Haran. En van daar, toen zijn vader ges | tor | ven was, bracht Hij hem over in dit land waarin gij nu woont |
| , dat ook op de heidenen de gave des Heiligen Geestes uitges | tor | t werd; 10:46 want zij hoorden, dat zij met tongen spraken e |
| Efeziërs! 19:29 En de gehele stad werd vol gewoel; en zij s | tor | mden gezamenlijk naar den schouwburg, met zich slepende Gaju |
| gen tegen hem omtrent hunnen godsdienst, en omtrent enen ges | tor | ven Jezus, van wien Paulus zeide, dat hij leeft. 25:20 En da |
| heen. 27:14 Maar niet lang daarna verhief zich vandaar een s | tor | mwind, dien men Noord-Oost noemt. 27:15 En toen het schip vo |
| eil en dreven zo heen. 27:18 En daar wij geweldig door den s | tor | m geslingerd werden, deden zij des anderen daags een uitworp |
| agen noch zon noch sterren verschenen, en een niet geringe s | tor | m aanhield, zo was ons alle hoop op behoud ontnomen. 27:21 E |
| nl/Christendom/Hosea 1.txt 1 | ||
| en achteruitzetten: daarom zal Ik mijnen toorn over hen uits | tor | ten als water. 5:11 Efraïm lijdt geweld en wordt geplaagd; d |
| nl/Christendom/2Corinthiërs 1.txt 4 | ||
| maal wij het daarvoor houden, dat, indien één voor allen ges | tor | ven is, zij dan allen gestorven zijn; en hij is daarom voor |
| , dat, indien één voor allen gestorven is, zij dan allen ges | tor | ven zijn; en hij is daarom voor allen gestorven, opdat degen |
| ij dan allen gestorven zijn; en hij is daarom voor allen ges | tor | ven, opdat degenen, die leven, niet meer voor zichzelve leve |
| er voor zichzelve leven, maar voor dengene, die voor hen ges | tor | ven en opgestaan is. 5:16 Daarom, van nu aan kennen wij niem |
| nl/Christendom/Nehemia 1.txt 9 | ||
| gden ze en stelden hare deuren; en zij heiligden ze van den | tor | en Mea af tot aan den toren Hananeël. 3:2 En nevens hem bouw |
| euren; en zij heiligden ze van den toren Mea af tot aan den | tor | en Hananeël. 3:2 En nevens hem bouwden de mannen van Jericho |
| oon van Pahath-Moab, bouwden een ander stuk en den Bakovens- | tor | en. 3:12 Nevens hen bouwde Sallum, de zoon van Hallohes, ove |
| 25 Palal, de zoon van Uzai, tegenover den hoek en den hogen | tor | en die van het huis des konings uitsteekt, bij den hof der g |
| el woonden, tot aan de Waterpoort tegen het Oosten, waar de | tor | en uitsteekt. 3:27 Daarna bouwden die van Tekîa een ander st |
| bouwden die van Tekîa een ander stuk, tegenover den groten | tor | en die daar uitsteekt, en tot aan den muur van Ofel. 3:28 Va |
| en de helft des volks, den muur opwaarts, naar den Bakovens- | tor | en toe, tot aan den breden muur; 12:39 en naar de poort Efra |
| , en naar de Oude poort, en naar de Vischpoort, en naar den | tor | en Hananeël, en naar den toren Mea, tot aan de Schaapspoort; |
| naar de Vischpoort, en naar den toren Hananeël, en naar den | tor | en Mea, tot aan de Schaapspoort; en zij bleven staan in de G |
| nl/Christendom/Richteren 1.txt 15 | ||
| aar toen nu Jozua, de zoon van Nun, de knecht des Heren, ges | tor | ven was, honderd en tien jaar oud zijnde, 2:9 en zij hem beg |
| drongen, had de Heer mededogen. 2:19 Als dan de richter ges | tor | ven was, zo vielen zij weder af, en verdierven het meer nog |
| den al verder hetgeen kwaad was voor den Heer, toen Ehud ges | tor | ven was. 4:2 En de Heer verkocht hen in de hand van Jabin, d |
| e lieden van Pnuël: Kom ik met vrede weder, zo zal ik dezen | tor | en afbreken. 8:10 Zebah en Zalmunna nu waren te Karkor, en h |
| liet de lieden van Sukkoth die voelen. 8:17 En hij brak den | tor | en van Pnuël af, en doodde de lieden der stad. 8:18 En hij s |
| vader Joas, te Ofra der Abiëzrieten. 8:33 Toen nu Gideon ges | tor | ven was, keerden de kinderen Israls zich om en hoereerden d |
| , en bezaaide haar met zout. 9:46 Toen al de mannen van den | tor | en van Sichem dit hoorden, gingen zij in de vesting van het |
| 9:47 En toen Abimélech dat hoorde, dat al de mannen van den | tor | en van Sichem zich vergaderd hadden, 9:48 ging hij op den be |
| ting, en staken ze aan met vuur; zodat al de mannen van den | tor | en van Sichem stierven, omtrent duizend mannen en vrouwen. 9 |
| belegerde haar en nam haar in. 9:51 Maar er was een sterke | tor | en midden in de stad, op welken al de mannen en vrouwen en a |
| sloten dien achter zich toe; en zij klommen op het dak des | tor | ens. 9:52 Toen kwam Abimélech tot aan den toren en bestormde |
| op het dak des torens. 9:52 Toen kwam Abimélech tot aan den | tor | en en bestormde dien; en hij naderde tot aan de deur van den |
| es torens. 9:52 Toen kwam Abimélech tot aan den toren en bes | tor | mde dien; en hij naderde tot aan de deur van den toren om he |
| n en bestormde dien; en hij naderde tot aan de deur van den | tor | en om hem met vuur te verbranden. 9:53 Maar ene vrouw wierp |
| te doden; en zij hebben mijn bijwijf geschonden, dat zij ges | tor | ven is. 20:6 Toen nam ik mijn bijwijf en hieuw haar in stukk |
| nl/Christendom/Jeremia 1.txt 12 | ||
| u mijne ziel zich niet wreken aan een volk als dit? 5:10 Bes | tor | mt hare muren en werpt ze omver; maar verderft ze niet gehee |
| l van het dreigen des Heren, dat ik het niet inhouden kan. S | tor | t het uit, zowel over de kinderen op de straten, als waar zi |
| e Heere Heere: Zie, mijn toorn en mijn grimmigheid is uitges | tor | t over deze plaats, over mensen en vee, over de bomen op het |
| 8:7 Zelfs de ooievaar onder den hemel weet zijnen tijd; de | tor | tel en kraanvogel en zwaluw kennen hunnen tijd, wanneer zij |
| n uwe gramschap, opdat Gij mij niet vernietigt. 10:25 Maar s | tor | t uwen toorn uit op de heidenen, die U niet kennen, en op de |
| en en dochters; en Ik zal hunne eigen boosheid over hen uits | tor | ten. 14:17 En gij zult dit woord tot hen zeggen: Mijne ogen |
| met betrekking tot den rouw, om hen te troosten over een ges | tor | vene, noch hun te drinken geven uit den troostbeker over iem |
| de Heer, dat de stad des Heren zal gebouwd worden, van den | tor | en Hananeël af tot aan de Hoekpoort toe, 31:39 en het meetsn |
| jne verbolgenheid over de inwoners van Jeruzalem werd uitges | tor | t, zo zal die zich ook over u uitstorten, indien gij naar Eg |
| n Jeruzalem werd uitgestort, zo zal die zich ook over u uits | tor | ten, indien gij naar Egypte trekt; zodat gij zijn zult tot e |
| 4:6 Daarom werd ook mijn toorn en mijne verbolgenheid uitges | tor | t, en ontstak over de steden van Juda en over de straten van |
| Heer zal de Filistijnen, het overblijfsel van het eiland Kaf | tor | , vernielen. 47:5 Gaza zal kaal worden, en Askelon, benevens |
| nl/Christendom/Nahum 1.txt 1 | ||
| ldig is. Hij is de Heer, wiens wegen in het onweder en den s | tor | m zijn, en de wolken zijn het stof zijner voeten; 1:4 die de |
| nl/Christendom/JoÎl 1.txt 2 | ||
| te schande worden. 2:28 En na dezen zal Ik mijnen Geest uits | tor | ten over alle vlees en uwe zonen en dochters zullen profeter |
| tijd op de dienstknechten en dienstmaagden mijnen Geest uits | tor | ten, 2:30 en zal wondertekenen geven in den hemel en op de a |
| nl/Christendom/_Legacy/Deuteronomium 1.txt 8 | ||
| aar in hunne plaats woonden tot op dezen dag. 2:23 En de Kaf | tor | ieten trokken uit Kaftor en verdelgden de Avvieten, die te H |
| den tot op dezen dag. 2:23 En de Kaftorieten trokken uit Kaf | tor | en verdelgden de Avvieten, die te Hazerim woonden, tot Gaza |
| vuur op den berg Horeb; 4:16 dat gij u niet in het verderf s | tor | t, noch u enig beeld maakt, dat gelijk zij aan een man of vr |
| inderen verwekt, en in het land woont, en u in het verderf s | tor | t, en beelden van enige gelijkenis maakt, zodat gij kwaad do |
| rmhartig God; Hij zal u niet verlaten, noch in het verderf s | tor | ten, en zal ook niet vergeten het verbond, hetwelk Hij uwen |
| en en de een sterft zonder kinderen, zo zal de vrouw des ges | tor | venen geen vreemden man van buiten nemen; maar haar behuwdbr |
| dien zij baart, zal hij laten staan op den naam van zijn ges | tor | ven broeder, opdat zijn naam niet uitgedelgd worde uit Israë |
| gij uitgaat. 28:20 De Heer zal onder u zenden ongeval, vers | tor | ing en verderf, in alles wat gij bij de hand neemt om te doe |
| nl/Christendom/_Legacy/Psalmen 1.txt 28 | ||
| j ons, hunne ogen richten zij daarheen om ons ter aarde te s | tor | ten, 17:12 gelijk een leeuw, die den roof begeert, als een j |
| an den naam van den Heer, onzen God. 20:9) Zij zijn nederges | tor | t, en gevallen, maar wij staan opgericht. 20:10) Help, Heer, |
| j zegt: Waar is nu uw God? 42:5 Als ik daaraan gedenk, dan s | tor | t ik mijn hart uit bij mijzelven; want ik wilde gaarne heeng |
| elen wil. 48:13 Gaat rondom Sion van alle zijden, telt hare | tor | ens. 48:14 Vestigt uwe aandacht op hare muren, en beschouwt |
| alse tong. 52:7 Daarom zal God u ook geheel en al terneder s | tor | ten en verslaan, u uit de hut rukken, en uit het land der le |
| ven. Sela. 55:9 Ik zou mij haasten om te ontlopen voor den s | tor | mwind en het onweder. 55:10 Maak hunne tongen verdeeld, o He |
| uwig in onrust laten. 55:24 Maar, o God, Gij zult hen neders | tor | ten in den diepen kuil, de bloedgierigen en valsen zullen hu |
| grijpen. 56:8 Zouden zij met hunne boosheid ontkomen? God s | tor | t die lieden zonder genade terneder! 56:9 Tel de wegen mijne |
| e; maar verstrooi hen door uwe macht, Heer, ons schild, en s | tor | t hen neder. 59:13 Het woord hunner lippen is enkel zonde; d |
| e; maar verstrooi hen door uwe macht, Heer, ons schild, en s | tor | t hen neder. 59:13 Het woord hunner lippen is enkel zonde; d |
| e; maar verstrooi hen door uwe macht, Heer, ons schild, en s | tor | t hen neder. 59:13 Het woord hunner lippen is enkel zonde; d |
| e steenrots. 61:4 Want Gij zijt mijn toeverlaat, een sterke | tor | en tegen mijne vijanden. 61:5 Laat mij wonen in uwe hut eeuw |
| e steenrots. 61:4 Want Gij zijt mijn toeverlaat, een sterke | tor | en tegen mijne vijanden. 61:5 Laat mij wonen in uwe hut eeuw |
| het zilver loutert; 68:11 Gij hebt ons laten werpen in den | tor | en, Gij hebt een last gelegd op onze lendenen; 68:12 Gij heb |
| j niet zien, en laat hunne lendenen altoos waggelen. 69:25 S | tor | t uwe ongenade over hen uit, en de gloed uws toorns grijpe h |
| n einde. 73:18 Want Gij plaatst hen op gladde steilten, en s | tor | t hen tegronde. 73:19 Hoe worden zij zo plotseling vernietig |
| naam lastert. 74:19 Wil toch aan het gedierte de ziel uwer | tor | telduif niet geven, en de schaar uwer ellendigen niet zo geh |
| 88:11 Zult Gij dan aan doden wonderen doen, of zullen de ges | tor | venen opstaan en U loven? Sela. 88:12 Zal men in de graven u |
| Ik ben ellendig en machteloos, dat ik zo verstoten ben; ik | tor | s al uwe verschrikkingen en ben wanhopig. 88:17 Uwe gramscha |
| lendigen, die bedroefd is en zijne klacht voor den Heer uits | tor | t. 102:2 Heer, hoor mijn gebed, en laat mijn roepen tot U ko |
| en zijne wonderen in de zee; 107:25 toen Hij sprak en een s | tor | mwind verwekte, dat de baren zich verhieven, 107:26 en naar |
| uurt eeuwig; 136:15 die Farao en zijn heir in de Schelfzee s | tor | tte, want zijne goedheid duurt eeuwig; 136:16 die zijn volk |
| op hun hoofd vallen. 140:11 Hij zal kolen vuur over hen uits | tor | ten; Hij zal hen met vuur diep in de aarde slaan, dat zij ni |
| de aarde; een boos man des gewelds zal verjaagd en nederges | tor | t worden. 140:13 Want ik weet, dat de Heer de zaak des ellen |
| j mij geen schade doen: 141:6 Hunne rechters moeten nederges | tor | t worden over ene steenrots; dan zal men mijne leer horen, d |
| met mijne stem, ik smeek den Heer met mijne stem; 142:3 ìk s | tor | t mijne klacht voor Hem uit, ik maak Hem mijnen nood bekend. |
| arde; hij legt mij in het duister, gelijk de sedert lang ges | tor | venen. 143:4 En mijn geest in mij is beangst, mijn hart in m |
| en alle diepten; 148:8 vuur en hagel, sneeuw en damp; gij s | tor | mwinden, die zijn bevel uitvoert; 148:9 gij bergen en alle h |
| nl/Christendom/_Legacy/Galaten 1.txt 3 | ||
| t een overtreder. 2:19 Maar ik ben door de Wet der Wet afges | tor | ven, opdat ik Gode leven zou. 2:20 Ik ben met Christus gekru |
| erechtigheid door de wet komt, zo is Christus tevergeefs ges | tor | ven. Galaten 3 3:1 O onverstandige Galatiërs, wie heeft u be |
| gehouden. 5:12 Och dat zij ook afgesneden werden, die u vers | tor | en! 5:13 Want gij, broeders, zijt tot vrijheid geroepen; all |
| nl/Christendom/_Legacy/Ezechiel 1.txt 32 | ||
| p er een wal omheen en omring ze met een heirleger en stel s | tor | mrammen rondom haar heen. 4:3 Voorts neem voor u ene ijzeren |
| zal. 7:8 Nu wil Ik welhaast mijne verbolgenheid over u uits | tor | ten en mijnen toorn aan u volbrengen, en Ik zal u richten ge |
| 7:18 En zij zullen zakken omgorden, en met doodschrik overs | tor | t zijn, en alle aangezichten zullen er jammerlijk uitzien, e |
| rgeblevenen van Israël verderven, dat Gij uwen toorn zo uits | tor | t over Jeruzalem? 9:9 En Hij sprak tot mij: De misdaad van h |
| wervelwind zal hem scheuren. 13:12 Zie, zo zal die muur ins | tor | ten en men zal dan tot u zeggen: Waar is nu het gepleisterde |
| zenden en mijne verbolgenheid daarover uitgieten en bloed s | tor | ten, zodat Ik beiden, mensen en vee, uitroeide; 14:20 en Noa |
| rs en der bloedvergietsters over u brengen en zal uw bloed s | tor | ten met grimmigheid en minneijver; 16:39 en Ik zal u in hunn |
| ypte niet. Toen dacht Ik mijne grimmigheid over hen uit te s | tor | ten en al mijnen toorn over hen te laten gaan in het midden |
| tten zeer. Toen dacht Ik mijne grimmigheid over hen uit te s | tor | ten in de woestijn en hen geheel te verdelgen. 20:14 Maar Ik |
| sabbatten. Toen dacht Ik mijne grimmigheid over hen uit te s | tor | ten en al mijnen toorn over hen te laten gaan in de woestijn |
| ersen met sterke hand en met uitgestrekten arm en met uitges | tor | te grimmigheid. 20:34 En Ik zal u uit de volken voeren en ve |
| zijt, met sterke hand en met uitgestrekten arm en met uitges | tor | te grimmigheid. 20:35 En Ik zal u brengen in de woestijn der |
| ging zal op de rechterzijde naar Jeruzalem duiden, dat hij s | tor | mrammen zal aanvoeren, en bressen maken en ze met een groot |
| een groot geschreeuw overvallen in het moorden; en dat hij s | tor | mrammen zal aanvoeren tegen de poorten en aldaar een wal zal |
| r gij geboren zijt; 21:31 en Ik zal mijnen toorn over u uits | tor | ten, Ik zal het vuur mijner grimmigheid tegen u aanblazen, e |
| worden, dat Ik, de Heer, mijne grimmigheid over u heb uitges | tor | t. 22:23 En het woord des Heren geschiedde tot mij, zeggende |
| het niet zou verderven; maar Ik vond niemand. 22:31 Daarom s | tor | tte Ik mijnen toorn uit over hen en met het vuur mijner grim |
| heb haar daarom ook dat bloed op ene naakte steenrots doen s | tor | ten, teneinde het niet bedekt zou worden, opdat de grimmighe |
| olven. 26:4 Die zullen de muren van Tyrus verderven en hare | tor | ens afbreken; ja Ik zal ook het stof voor haar wegvegen en z |
| wal maken, en schilden tegen u toerusten; 26:9 hij zal met s | tor | mrammen uwe muren omverstoten, en uwe torens met zijne wapen |
| 26:9 hij zal met stormrammen uwe muren omverstoten, en uwe | tor | ens met zijne wapenen omverrukken. 26:10 Het stof van de men |
| bij degenen, die in den kuil dalen, tot de lang voorheen ges | tor | venen; Ik zal u in het onderste der aarde doen vallen en u g |
| onder uw heir op uwe muren rondom en de Gammadieten op uwe | tor | ens; die hebben hunne schilden overal aan uwe muren opgehang |
| 34 maar nu zijt gij door de zee in de diepte der wateren ges | tor | t, zodat uw handel en al uw volk, dat in u was, vergaan is. |
| itgebreiden handel en hebt gezondigd; daarom zal Ik u neders | tor | ten van den berg Gods, en zal u, den overschaduwenden cherub |
| t laten bedriegen in uwe pracht, daarom wil Ik u ter aarde s | tor | ten en een schouwspel van u maken voor de koningen. 28:18 Wa |
| ar betoon, dat Ik heilig ben. 28:23 En Ik zal pest en bloeds | tor | ting in haar zenden op hare straten en er zullen dodelijk ge |
| te zullen vallen en de hoovaardij hunner macht zal terneders | tor | ten: van Migdol tot Syene zullen zij door het zwaard vallen, |
| echt over No doen gaan. 30:15 En Ik zal mijne gramschap uits | tor | ten over Sin, de sterkte van Egypte, en zal de menigte van N |
| als de onreinheid ener vrouw in hare zuivering, 36:18 toen s | tor | tte Ik mijne verbolgenheid over hen uit, vanwege het bloed, |
| en, want Ik heb mijnen Geest over het huis van Israël uitges | tor | t, spreekt de Heere Heere. Ezechiel 40 40:1 In het vijfentwi |
| g geduurd, o vorsten van Israël; houdt op met geweld en vers | tor | ing en doet hetgeen recht en goed is; en doet weg van mijn v |
| nl/Christendom/_Legacy/Esther 1.txt 2 | ||
| elezene jonge dochter; en toen haar vader en hare moeder ges | tor | ven waren, had Mordechai haar tot zijne dochter aangenomen. |
| kon de koning niet slapen, en gebood de kronieken en de his | tor | iën te brengen. Toen die voor den koning gelezen werden, von |
| nl/Christendom/_Legacy/Obadja 1.txt 2 | ||
| stelen, spreekt gij in uw hart: Wie wil mij ter aarde neders | tor | ten? 1:4 Al voert gij dan ook in de hoogte als een arend en |
| uw nest tussen de sterren, nochtans zal Ik u vandaar neders | tor | ten, spreekt de Heer. 1:5 Als er dieven of nachtrovers tot u |
| nl/Christendom/_Legacy/Zephanja 1.txt 3 | ||
| zij tegen den Heer gezondigd hebben; en hun bloed zal uitges | tor | t worden als stof en hun lichaam als slijk. 1:18 Hun zilver |
| geslachten; ook zullen er roerdompen en egels wonen op hare | tor | ens, en vogels zullen in de vensters zingen, de drempel zal |
| koninkrijken bijeenbrengen om mijnen toorn over hen uit te s | tor | ten, ja, al den toorn mijner grimmigheid; want de gehele wer |
| nl/Christendom/_Legacy/Judas 1.txt 2 | ||
| derven zij zich. 1:11 Wee hun! want zij gaan Ka‘ns weg, en s | tor | ten zich in de dwaling van Bileam om gewin, en vergaan als i |
| e winden omgedreven; kale, onvruchtbare bomen, tweemaal vers | tor | ven en ontworteld; 1:13 wilde baren der zee, die hunne eigen |
| nl/Christendom/_Legacy/Titus 1.txt 1 | ||
| iligen Geestes, 3:6 dien Hij rijkelijk over ons heeft uitges | tor | t door Jezus Christus, onzen Zaligmaker; 3:7 opdat wij, door |
| nl/Christendom/_Legacy/Exodus 1.txt 8 | ||
| ig; maar Jozef was te voren in Egypte. 1:6 Toen nu Jozef ges | tor | ven was, en al zijne broeders, en allen, die in dien tijd ge |
| Farao zond er heen, en zie van Israëls vee was niet één ges | tor | ven. Maar Farao's hart werd verstokt en hij liet het volk ni |
| n hun leger 14:25 en stiet de raderen van hunne wagens, en s | tor | tte hen met onstuimigheid neder. Toen spraken de Egyptenaars |
| en stroom, en de Egyptenaars vluchtten die te gemoet. Alzo s | tor | tte de Heer hen midden in de zee. 14:28 Toen kwam het water |
| eerlijke daad gedaan; paard en wagen heeft Hij in de zee ges | tor | t. 15:2 De Heer is mijne sterkte en mijn lofzang, en Hij is |
| uwe grote heerlijkheid hebt Gij uwe tegenpartij ternederges | tor | t; want toen Gij uwe grimmigheid uitliet, verteerde zij hen |
| heerlijke daad gedaan: man en paard heeft Hij in de zee ges | tor | t. 15:22 Toen liet Mozes de kinderen Israëls opbreken, van d |
| tijn, 16:3 en zij spraken tot hen: Och, of wij in Egypte ges | tor | ven waren door de hand des Heren, toen wij bij de vleespotte |
| nl/Christendom/_Legacy/Romeinen 1.txt 17 | ||
| geloof, zag ook niet op zijn eigen lichaam, dat alreeds vers | tor | ven was, daar hij reeds bijna honderd jaren oud was, ook nie |
| hij reeds bijna honderd jaren oud was, ook niet op den vers | tor | ven schoot van Sara; 4:20 want hij twijfelde niet aan de bel |
| 5 en de hoop beschaamt ons niet, omdat de liefde Gods uitges | tor | t is in onze harten door den Heiligen Geest, die ons gegeven |
| nog zwak waren, is op den bestemden tijd voor goddelozen ges | tor | ven. 5:7 Nu sterft nauwelijks iemand voor een rechtvaardige; |
| wijst God zijne liefde jegens ons, dat Christus voor ons ges | tor | ven is, toen wij nog zondaars waren. 5:9 Zo zullen wij immer |
| ng; want indien door de overtreding van dien éénen velen ges | tor | ven zijn, zo is veelmeer Gods genade en gave over velen over |
| Hoe zouden wij nog in de zonde willen leven, welke wij afges | tor | ven zijn? 6:3 Of weet gij niet, dat wij allen, die in Jezus |
| en wij voortaan de zonde niet meer dienen; 6:7 want wie ges | tor | ven is, die is gerechtvaardigd van de zonde. 6:8 Zijn wij nu |
| rechtvaardigd van de zonde. 6:8 Zijn wij nu met Christus ges | tor | ven, zo geloven wij, dat wij ook met hem leven zullen, 6:9 w |
| e dood zal niet meer over hem heersen. 6:10 Want wat hij ges | tor | ven is, dat is hij der zonde gestorven eenmaal; maar wat hij |
| en. 6:10 Want wat hij gestorven is, dat is hij der zonde ges | tor | ven eenmaal; maar wat hij leeft, dat leeft hij Gode. 6:11 Al |
| 6:11 Alzo ook gij, houdt het daarvoor, dat gij der zonde ges | tor | ven zijt, en Gode leeft, in Christus Jezus, onzen Heer. 6:12 |
| dragen; 7:6 maar nu zijn wij vrij van de wet, en haar afges | tor | ven, die ons gevangen hield, zodat wij dienen in nieuwheid d |
| r toen het gebod kwam, werd de zonde levend; maar ik ben ges | tor | ven, 7:10 en het is bevonden, dat het gebod mij ten dood wer |
| rdig maakt. 8:34 Wie wil verdoemen? Christus is het, die ges | tor | ven is, ja veel meer, die ook opgewekt is, die ook ter recht |
| en, wij zijn des Heren. 14:9 Want Christus is ook daarom ges | tor | ven en weder levend geworden, opdat hij over doden en levend |
| derf toch dien niet met uwe spijs, om wiens wil Christus ges | tor | ven is. 14:16 Daarom maakt, dat uwe voorrecht niet gelasterd |
| nl/Christendom/Jesaja 1.txt 15 | ||
| bergen, en over alle verheven heuvelen; 2:15 over alle hoge | tor | ens, en over alle vaste muren; 2:16 over alle schepen van Ta |
| rd, en edele wijnstokken daarin geplant; hij bouwde ook een | tor | en in deszelfs midden, en groef ene wijnpers daarin, en verw |
| lijke ranken: Hij wachtte naar recht, maar zie, er is bloeds | tor | ting, naar gerechtigheid, maar zie, er is groot geschrei. 5: |
| ner paarden zijn als rotsen, en hunne wagenraderen als een s | tor | mwind; 5:29 zij brullen als leeuwen, en brullen als de jonge |
| nacht. 21:5 Ja, richt de tafel aan, laat waken op den wacht | tor | en; eet, drinkt; maakt u îp, gij vorsten, zalft het schild. |
| t. 21:8 En hij riep als een leeuw: Heer, ik sta op den wacht | tor | en gestadig bij dag, en zet mij op mijne hoede den gehelen n |
| zijn niet met het zwaard verslagen en niet in den strijd ges | tor | ven, 22:3 maar al uwe hoofdlieden zijn voor den boog weggewe |
| icht voor de bewoners der woestijn; zij hebben daarin vaste | tor | ens opgericht en paleizen opgebouwd, maar het is gesteld tot |
| Want de Heer heeft een geest van diepen slaap over u uitges | tor | t, en uwe ogen vast gesloten; uwe profeten en hoofden en de |
| eer hij begint uit te wijken, die schielijk, onvoorziens ins | tor | t; 30:14 gelijk een pot verbrijzeld wordt, dien men zonder v |
| aterstromen zijn, ten tijde der grote slachting, wanneer de | tor | ens vallen zullen. 30:26 En het licht der maan zal zijn als |
| en de stad, die vol gewoel was, zal eenzaam zijn; zodat de | tor | ens en vestingen eeuwige holen worden, voor het wild tot vre |
| e schrijvers, waar is de betaalmeester, waar is hij, die de | tor | ens telt? 33:19 Daarenboven zult gij dat sterke volk niet me |
| en ziet mij niet. Uwe wijsheid en kunst heeft u terneder ges | tor | t; gij spraakt in uw hart: Wat ik ben, dat is niemand meer. |
| em niets geacht. 53:4 Voorwaar, hij droeg onze ellenden, en | tor | ste onze smarten; maar wij hielden hem voor enen geplaagde, |
| nl/Christendom/Johannes 1.txt 15 | ||
| l uit, met de schapen en ossen; en het geld der wisselaars s | tor | tte hij uit, en stiet de tafels om; 2:16 en hij zeide tot de |
| Uwe vaderen hebben manna gegeten in de woestijn, en zijn ges | tor | ven; 6:50 dit is het brood, dat van den hemel komt, opdat wi |
| men is; niet gelijk uwe vaderen manna gegeten hebben, en ges | tor | ven zijn. Wie dit brood eet, die zal leven in eeuwigheid. 6: |
| : Nu weten wij, dat gij een bozen geest hebt. Abraham is ges | tor | ven, en de profeten, en gij zegt: Zo iemand mijn woord houdt |
| uwigheid? 8:53 Zijt gij meer dan onze vader Abraham, die ges | tor | ven is? En de profeten zijn gestorven. Wat maakt gij van uze |
| nze vader Abraham, die gestorven is? En de profeten zijn ges | tor | ven. Wat maakt gij van uzelven? 8:54 Jezus antwoordde: Indie |
| aap. 11:14 Toen zeide Jezus tot hen vrij uit: Lazarus is ges | tor | ven, 11:15 en ik ben blijde om uwentwil, dat ik daar niet ge |
| us: Heer, waart gij hier geweest, mijn broeder ware niet ges | tor | ven. 11:22 Maar ook nog weet ik, dat, wat gij van God bidt, |
| et leven: wie in mij gelooft, zal leven, al ware hij ook ges | tor | ven; 11:26 en wie leeft, en in mij gelooft, zal nimmermeer s |
| em: Heer, waart gij hier geweest, mijn broeder ware niet ges | tor | ven. 11:33 Toen Jezus haar zag wenen, en de Joden, die met h |
| Jezus zeide: Neemt den steen weg. Martha, de zuster des ges | tor | venen, zeide tot hem: Heer, hij riekt al, want hij heeft vie |
| zoudt zien? 11:41 Toen namen zij den steen weg, waar de ges | tor | vene lag; en Jezus hief zijne ogen opwaarts en zeide: Vader, |
| ep hij met een luide stem: Lazarus, kom uit! 11:44 En de ges | tor | vene kwam uit, gebonden met grafdoeken aan voeten en handen, |
| Vîîr Pasen kwam Jezus te Bethanië, waar Lazarus was, de ges | tor | vene, dien hij had opgewekt uit de doden. 12:2 Aldaar bereid |
| doch toen zij tot Jezus kwamen en zagen, dat hij alreeds ges | tor | ven was, braken zij hem de benen niet, 19:34 maar een der kr |
| nl/Christendom/Klaagliederen 1.txt 3 | ||
| at aangenaam was om aan te zien, en zijne grimmigheid uitges | tor | t als een vuur in de hut der dochter van Sion. 2:5 De Heer i |
| j geworpen. 3:54 Zij hebben over mijn hoofd ook water uitges | tor | t; ik sprak: Nu is het met mij gedaan. 3:55 Maar ik riep uwe |
| immigheid volbracht; Hij heeft zijnen grimmigen toorn uitges | tor | t, en Hij heeft te Sion een vuur ontstoken, dat ook hare gro |
| nl/Christendom/Hooglied 1.txt 6 | ||
| ker dan wijn. 1:3 Uwe zalf riekt goed; uw naam is ene uitges | tor | te zalf, daarom hebben de maagden u lief: 1:4 trek mij, wij |
| en zijn uitgekomen in het land; de lente is genaderd, en de | tor | telduif laat zich horen op ons land; 2:13 de vijgeboom heeft |
| den granaatappel tussen uwe vlechten. 4:4 Uw hals is als de | tor | en van David, gebouwd tot bewaarplaats van wapenen, waaraan |
| jonge tweelingen van een ree; 7:4 uw hals is als een ivoren | tor | en; uwe ogen zijn als de vijvers van Hesbon, aan de poort Ba |
| ers van Hesbon, aan de poort Bath-Rabbim; uw neus is als de | tor | en van den Libanon, die tegen Damaskus ziet; 7:5 uw hoofd ve |
| derplanken. 8:10 Ik ben een muur, en mijne borsten zijn als | tor | ens; en nochtans ben ik voor zijne ogen geworden als ene, di |
| nl/Christendom/Daniel 1.txt 2 | ||
| en gezicht in den nacht, en zie, de vier winden des hemels s | tor | mden tegen elkander op de grote zee. 7:3 En vier grote diere |
| het is besloten, totdat het vast besloten verderf zal uitges | tor | t worden over de verwoesting. Daniel 10 10:1 In het derde ja |
| nl/Christendom/Spreuken 1.txt 6 | ||
| ne voeten lopen tot het kwaad, en haasten zich om bloed te s | tor | ten. 1:17 Want het is tevergeefs het net uit te spreiden voo |
| rt u tot mijne onderwijzing; zie, ik zal u mijnen geest uits | tor | ten, en u mijne woorden bekendmaken. 1:24 Dewijl ik dan roep |
| t komt, 1:27 als hetgeen gij vreest over u komt gelijk een s | tor | m, en uw ongeval als een onweder, als u angst en nood overko |
| te vrezen voor een schielijke verschrikking, noch voor den s | tor | m der goddelozen, als hij komt; 3:26 want de Heer is uw toev |
| geleiden, maar de boosheid zal de verachters in het onheil s | tor | ten. 11:4 Vermogen baat niet ten dage des toorns, maar gerec |
| ele zonden. 29:23 De hoovaardij des mensen zal hem terneders | tor | ten, maar de ootmoedige zal eer ontvangen. 29:24 Wie met een |
| nl/Christendom/Prediker 1.txt 1 | ||
| r konden hebben. 4:2 Toen prees ik de doden, die alreeds ges | tor | ven waren, meer dan de levenden, die het leven nog hadden; 4 |
| nl/Christendom/HebreÎn 1.txt 3 | ||
| n zijne gaven; en daardoor spreekt hij nog, alhoewel hij ges | tor | ven is. 11:5 Door het geloof werd Henoch weggenomen, zodat h |
| eloofd had. 11:12 Daarom zijn ook van éénen, hoewel een vers | tor | ven lichaam hebbende, velen geboren, gelijk de sterren aan d |
| oever der zee, dat ontelbaar is. 11:13 Dezen allen zijn ges | tor | ven in het geloof, zonder de beloften verksegen te hebben, m |
| nl/Christendom/Numeri 1.txt 7 | ||
| enden dag. 6:10 En op den achtsten dag zal hij brengen twee | tor | telduiven of twee jonge duiven tot den priester, voor den in |
| ehele gemeente sprak tot hen: Och, dat wij in Egypteland ges | tor | ven waren, of nog stierven in deze woestijn! 14:3 Waarom voe |
| : toen hield de plaag op. 16:49 Zij nu, die aan de plaag ges | tor | ven waren, waren veertien duizend en zevenhonderd, behalve d |
| duizend en zevenhonderd, behalve degenen, die met Korach ges | tor | ven waren. 16:50 En Aäron kwam weder tot Mozes voor den inga |
| n der Moabieten verpletteren, en alle kinderen van Seth vers | tor | en. 24:18 Edom zal hij innemen, en Seïr, dat hem vijandig is |
| van de tent der samenkomst, zeggende: 27:3 Onze vader is ges | tor | ven in de woestijn, en hij was niet mede onder de gemeente, |
| pstond in het rot van Korach; maar hij is in zijne zonde ges | tor | ven, en had geen zonen. 27:4 Waarom zal dan de naam onzes va |
| nl/Christendom/Jona 1.txt 1 | ||
| u stil worden; want ik weet, dat om mijnentwil deze hevige s | tor | m u overkomt. 1:13 En de lieden roeiden om weder aan het lan |
| nl/Christendom/Ezra 1.txt 1 | ||
| voor het huis Gods, en sidderde om die zaak en vanwege den s | tor | tregen. 10:10 En Ezra, de priester, stond op en sprak tot he |
| nl/Christendom/Lukas 1.txt 8 | ||
| aven, naar hetgeen gezegd is in de wet des Heren, "een paar | tor | telduiven of twee jonge duiven". 2:25 En zie, er was een men |
| doet de jonge wijn de lederen zakken bersten en wordt uitges | tor | t, en de lederen zakken verderven; 5:38 maar den jongen wijn |
| len uit van den mens, en voeren in de zwijnen; en de kudde s | tor | tte van de steilte af in de zee, en zij verdronken. 8:34 Toe |
| n overste der synagoge, en zeide tot hem: Uwe dochter is ges | tor | ven; doe den Meester geen moeite aan. 8:50 Maar toen Jezus d |
| agden over haar. Maar hij zeide: Weent niet. Zij is niet ges | tor | ven, maar slaapt. 8:53 En zij belachten hem, wel wetende, da |
| slaapt. 8:53 En zij belachten hem, wel wetende, dat zij ges | tor | ven was. 8:54 Maar hij dreef hen allen uit, nam haar bij de |
| o omkomen. 13:4 Of meent gij, dat die achttien, op welke de | tor | en te Siloah viel en hen doodde, schuldig zijn geweest boven |
| ijn jonger niet zijn. 14:28 Want wie is er onder u, die een | tor | en wil bouwen, en niet eerst nederzit en de kosten berekent, |
| nl/Christendom/De Bijbel (Lutherse vertaling)/Nieuwe Testament/17 Titus.txt 1 | ||
| iligen Geestes, 3:6 dien Hij rijkelijk over ons heeft uitges | tor | t door Jezus Christus, onzen Zaligmaker; 3:7 opdat wij, door |
| nl/Christendom/De Bijbel (Lutherse vertaling)/Nieuwe Testament/13 1Thessalonica.txt 2 | ||
| ie geen hoop hebben. 4:14 Want zo wij geloven, dat Jezus ges | tor | ven en verrezen is--zo zal God ook degenen, die ontslapen zi |
| ijgen door onzen Heere Jezus Christus, 5:10 die voor ons ges | tor | ven is, opdat wij, hetzij wij waken of slapen, te zamen met |
| nl/Christendom/De Bijbel (Lutherse vertaling)/Nieuwe Testament/26 Judas.txt 2 | ||
| derven zij zich. 1:11 Wee hun! want zij gaan Kaïns weg, en s | tor | ten zich in de dwaling van Bileam om gewin, en vergaan als i |
| e winden omgedreven; kale, onvruchtbare bomen, tweemaal vers | tor | ven en ontworteld; 1:13 wilde baren der zee, die hunne eigen |
| nl/Christendom/De Bijbel (Lutherse vertaling)/Nieuwe Testament/05 Handelingen.txt 13 | ||
| ker verworven voor het onrechtvaardige loon, en voorover ges | tor | t, is hij door midden gebarsten, en al zijne ingewanden zijn |
| in de laatste dagen, zegt God, Ik zal van mijnen Geest uits | tor | ten op alle vlees; en uwe zonen en dochters zullen profetere |
| ijne dienstmaagden zal Ik in die dagen van mijnen Geest uits | tor | ten, en zij zullen profeteren. 2:19 En Ik zal wonderen geven |
| mij vrij tot u spreken van den aartsvader David. Hij is ges | tor | ven en begraven en zijn graf is bij ons tot op dezen dag. 2: |
| belofte des Heiligen Geestes van den Vader, heeft hij uitges | tor | t hetgeen gij nu ziet en hoort. 2:34 Want David is niet ten |
| ben hem horen zeggen: Jezus van Nazaret zal deze plaats vers | tor | en, en de zeden veranderen, welke Mozes ons gegeven heeft. 6 |
| aldeën, en woonde in Haran. En van daar, toen zijn vader ges | tor | ven was, bracht Hij hem over in dit land waarin gij nu woont |
| , dat ook op de heidenen de gave des Heiligen Geestes uitges | tor | t werd; 10:46 want zij hoorden, dat zij met tongen spraken e |
| Efeziërs! 19:29 En de gehele stad werd vol gewoel; en zij s | tor | mden gezamenlijk naar den schouwburg, met zich slepende Gaju |
| gen tegen hem omtrent hunnen godsdienst, en omtrent enen ges | tor | ven Jezus, van wien Paulus zeide, dat hij leeft. 25:20 En da |
| heen. 27:14 Maar niet lang daarna verhief zich vandaar een s | tor | mwind, dien men Noord-Oost noemt. 27:15 En toen het schip vo |
| eil en dreven zo heen. 27:18 En daar wij geweldig door den s | tor | m geslingerd werden, deden zij des anderen daags een uitworp |
| agen noch zon noch sterren verschenen, en een niet geringe s | tor | m aanhield, zo was ons alle hoop op behoud ontnomen. 27:21 E |
| nl/Christendom/De Bijbel (Lutherse vertaling)/Nieuwe Testament/16 2Timotheus.txt 1 | ||
| d. 2:11 Het is een betrouwbaar woord: indien wij met hem ges | tor | ven zijn, zullen wij ook met hem leven; 2:12 indien wij verd |
| nl/Christendom/De Bijbel (Lutherse vertaling)/Nieuwe Testament/21 1Petrus.txt 1 | ||
| haam heeft gedragen op het hout, opdat wij, den zonden afges | tor | ven zijnde, der gerechtigheid leven zouden; door wiens wonde |
| nl/Christendom/De Bijbel (Lutherse vertaling)/Nieuwe Testament/03 Lukas.txt 8 | ||
| aven, naar hetgeen gezegd is in de wet des Heren, "een paar | tor | telduiven of twee jonge duiven". 2:25 En zie, er was een men |
| doet de jonge wijn de lederen zakken bersten en wordt uitges | tor | t, en de lederen zakken verderven; 5:38 maar den jongen wijn |
| len uit van den mens, en voeren in de zwijnen; en de kudde s | tor | tte van de steilte af in de zee, en zij verdronken. 8:34 Toe |
| n overste der synagoge, en zeide tot hem: Uwe dochter is ges | tor | ven; doe den Meester geen moeite aan. 8:50 Maar toen Jezus d |
| agden over haar. Maar hij zeide: Weent niet. Zij is niet ges | tor | ven, maar slaapt. 8:53 En zij belachten hem, wel wetende, da |
| slaapt. 8:53 En zij belachten hem, wel wetende, dat zij ges | tor | ven was. 8:54 Maar hij dreef hen allen uit, nam haar bij de |
| o omkomen. 13:4 Of meent gij, dat die achttien, op welke de | tor | en te Siloah viel en hen doodde, schuldig zijn geweest boven |
| ijn jonger niet zijn. 14:28 Want wie is er onder u, die een | tor | en wil bouwen, en niet eerst nederzit en de kosten berekent, |
| nl/Christendom/De Bijbel (Lutherse vertaling)/Nieuwe Testament/_Legacy/Openbaring 1.txt 1 | ||
| stond er ene grote aardbeving, en het tiende deel der stad s | tor | tte in; en door de aardbeving werden zeven duizend mensen ge |
| nl/Christendom/De Bijbel (Lutherse vertaling)/Nieuwe Testament/04 Johannes.txt 15 | ||
| l uit, met de schapen en ossen; en het geld der wisselaars s | tor | tte hij uit, en stiet de tafels om; 2:16 en hij zeide tot de |
| Uwe vaderen hebben manna gegeten in de woestijn, en zijn ges | tor | ven; 6:50 dit is het brood, dat van den hemel komt, opdat wi |
| men is; niet gelijk uwe vaderen manna gegeten hebben, en ges | tor | ven zijn. Wie dit brood eet, die zal leven in eeuwigheid. 6: |
| : Nu weten wij, dat gij een bozen geest hebt. Abraham is ges | tor | ven, en de profeten, en gij zegt: Zo iemand mijn woord houdt |
| uwigheid? 8:53 Zijt gij meer dan onze vader Abraham, die ges | tor | ven is? En de profeten zijn gestorven. Wat maakt gij van uze |
| nze vader Abraham, die gestorven is? En de profeten zijn ges | tor | ven. Wat maakt gij van uzelven? 8:54 Jezus antwoordde: Indie |
| aap. 11:14 Toen zeide Jezus tot hen vrij uit: Lazarus is ges | tor | ven, 11:15 en ik ben blijde om uwentwil, dat ik daar niet ge |
| us: Heer, waart gij hier geweest, mijn broeder ware niet ges | tor | ven. 11:22 Maar ook nog weet ik, dat, wat gij van God bidt, |
| et leven: wie in mij gelooft, zal leven, al ware hij ook ges | tor | ven; 11:26 en wie leeft, en in mij gelooft, zal nimmermeer s |
| em: Heer, waart gij hier geweest, mijn broeder ware niet ges | tor | ven. 11:33 Toen Jezus haar zag wenen, en de Joden, die met h |
| Jezus zeide: Neemt den steen weg. Martha, de zuster des ges | tor | venen, zeide tot hem: Heer, hij riekt al, want hij heeft vie |
| zoudt zien? 11:41 Toen namen zij den steen weg, waar de ges | tor | vene lag; en Jezus hief zijne ogen opwaarts en zeide: Vader, |
| ep hij met een luide stem: Lazarus, kom uit! 11:44 En de ges | tor | vene kwam uit, gebonden met grafdoeken aan voeten en handen, |
| Vóór Pasen kwam Jezus te Bethanië, waar Lazarus was, de ges | tor | vene, dien hij had opgewekt uit de doden. 12:2 Aldaar bereid |
| doch toen zij tot Jezus kwamen en zagen, dat hij alreeds ges | tor | ven was, braken zij hem de benen niet, 19:34 maar een der kr |
| nl/Christendom/De Bijbel (Lutherse vertaling)/Nieuwe Testament/27 Openbaringen.txt 1 | ||
| stond er ene grote aardbeving, en het tiende deel der stad s | tor | tte in; en door de aardbeving werden zeven duizend mensen ge |
| nl/Christendom/De Bijbel (Lutherse vertaling)/Nieuwe Testament/01 Mattheus.txt 7 | ||
| oosten, omdat zij niet meer waren". 2:19 Toen nu Herodes ges | tor | ven was, zie, toen verscheen een Engel des Heren aan Jozef i |
| u, en trek heen naar het land van Israël; want zij zijn ges | tor | ven, die naar het leven van het kind stonden. 2:21 En hij st |
| oeren in de kudde zwijnen. En zie, de gehele kudde zwijnen s | tor | tte van de steilte af in de zee, en zij stierven in het wate |
| n; anders bersten de lederen zakken, en de wijn wordt uitges | tor | t, en de lederen zakken verderven; maar men doet jongen wijn |
| voor hem neder, en zeide: Heer, mijne dochter is zo even ges | tor | ven; maar kom en leg uwe hand op haar, en zij zal weder leve |
| hemel is rood; 16:3 en des morgens zegt gij: Heden zal er s | tor | mweer komen, want de hemel ziet treurig rood. Gij huichelaar |
| mtuining omheen, en groef er ene wijnpers in, en bouwde een | tor | en, en verhuurde hem aan wijngaardeniers, en trok buitenslan |
| nl/Christendom/De Bijbel (Lutherse vertaling)/Nieuwe Testament/06 Romeinen.txt 17 | ||
| geloof, zag ook niet op zijn eigen lichaam, dat alreeds vers | tor | ven was, daar hij reeds bijna honderd jaren oud was, ook nie |
| hij reeds bijna honderd jaren oud was, ook niet op den vers | tor | ven schoot van Sara; 4:20 want hij twijfelde niet aan de bel |
| 5 en de hoop beschaamt ons niet, omdat de liefde Gods uitges | tor | t is in onze harten door den Heiligen Geest, die ons gegeven |
| nog zwak waren, is op den bestemden tijd voor goddelozen ges | tor | ven. 5:7 Nu sterft nauwelijks iemand voor een rechtvaardige; |
| wijst God zijne liefde jegens ons, dat Christus voor ons ges | tor | ven is, toen wij nog zondaars waren. 5:9 Zo zullen wij immer |
| ng; want indien door de overtreding van dien éénen velen ges | tor | ven zijn, zo is veelmeer Gods genade en gave over velen over |
| Hoe zouden wij nog in de zonde willen leven, welke wij afges | tor | ven zijn? 6:3 Of weet gij niet, dat wij allen, die in Jezus |
| en wij voortaan de zonde niet meer dienen; 6:7 want wie ges | tor | ven is, die is gerechtvaardigd van de zonde. 6:8 Zijn wij nu |
| rechtvaardigd van de zonde. 6:8 Zijn wij nu met Christus ges | tor | ven, zo geloven wij, dat wij ook met hem leven zullen, 6:9 w |
| e dood zal niet meer over hem heersen. 6:10 Want wat hij ges | tor | ven is, dat is hij der zonde gestorven eenmaal; maar wat hij |
| en. 6:10 Want wat hij gestorven is, dat is hij der zonde ges | tor | ven eenmaal; maar wat hij leeft, dat leeft hij Gode. 6:11 Al |
| 6:11 Alzo ook gij, houdt het daarvoor, dat gij der zonde ges | tor | ven zijt, en Gode leeft, in Christus Jezus, onzen Heer. 6:12 |
| dragen; 7:6 maar nu zijn wij vrij van de wet, en haar afges | tor | ven, die ons gevangen hield, zodat wij dienen in nieuwheid d |
| r toen het gebod kwam, werd de zonde levend; maar ik ben ges | tor | ven, 7:10 en het is bevonden, dat het gebod mij ten dood wer |
| rdig maakt. 8:34 Wie wil verdoemen? Christus is het, die ges | tor | ven is, ja veel meer, die ook opgewekt is, die ook ter recht |
| en, wij zijn des Heren. 14:9 Want Christus is ook daarom ges | tor | ven en weder levend geworden, opdat hij over doden en levend |
| derf toch dien niet met uwe spijs, om wiens wil Christus ges | tor | ven is. 14:16 Daarom maakt, dat uwe voorrecht niet gelasterd |
| nl/Christendom/De Bijbel (Lutherse vertaling)/Nieuwe Testament/02 Markus.txt 7 | ||
| de wijn de lederen zakken scheuren, en de wijn wordt uitges | tor | t, en de lederen zakken verderven; maar men moet den jongen |
| andere schepen bij hem. 4:37 En er verhief zich een hevige s | tor | m, en wierp de golven in het schip, zodat het schip vol werd |
| onreine geesten uit, en voeren in de zwijnen; en de kudde s | tor | tte van de steilte af in de zee--er waren omtrent twee duize |
| van den overste der synagoge, en zeiden: Uwe dochter is ges | tor | ven, wat moeit gij verder den Meester? 5:36 En Jezus hoorde |
| hij tot hen: Wat tiert en weent gij? Het meisje is niet ges | tor | ven, maar slaapt. 5:40 Doch zij belachten hem. Maar hij dree |
| een omtuining omheen, en groef ene wijnpers, en bouwde een | tor | en; en verhuurde hem aan wijngaardeniers, en reisde buitensl |
| ezus. 15:44 Pilatus nu verwonderde zich er over, dat hij ges | tor | ven zou zijn, en riep den hoofdman, en vraagde hem, of hij r |
| nl/Christendom/De Bijbel (Lutherse vertaling)/Nieuwe Testament/12 Colossenzen.txt 2 | ||
| dan met Christus de eerste beginselen der wereld zijt afges | tor | ven, wat laat gij u dan, alsof gij nog in de wereld leefdet, |
| is, niet naar hetgeen op de aarde is. 3:3 Want gij zijt ges | tor | ven, en uw leven is verborgen met Christus in God. 3:4 Wanne |
| nl/Christendom/De Bijbel (Lutherse vertaling)/Nieuwe Testament/09 Galaten.txt 3 | ||
| t een overtreder. 2:19 Maar ik ben door de Wet der Wet afges | tor | ven, opdat ik Gode leven zou. 2:20 Ik ben met Christus gekru |
| erechtigheid door de wet komt, zo is Christus tevergeefs ges | tor | ven. Galaten 3 3:1 O onverstandige Galatiërs, wie heeft u be |
| gehouden. 5:12 Och dat zij ook afgesneden werden, die u vers | tor | en! 5:13 Want gij, broeders, zijt tot vrijheid geroepen; all |
| nl/Christendom/De Bijbel (Lutherse vertaling)/Oude Testament/22 Hooglied.txt 6 | ||
| ker dan wijn. 1:3 Uwe zalf riekt goed; uw naam is ene uitges | tor | te zalf, daarom hebben de maagden u lief: 1:4 trek mij, wij |
| en zijn uitgekomen in het land; de lente is genaderd, en de | tor | telduif laat zich horen op ons land; 2:13 de vijgeboom heeft |
| den granaatappel tussen uwe vlechten. 4:4 Uw hals is als de | tor | en van David, gebouwd tot bewaarplaats van wapenen, waaraan |
| jonge tweelingen van een ree; 7:4 uw hals is als een ivoren | tor | en; uwe ogen zijn als de vijvers van Hesbon, aan de poort Ba |
| ers van Hesbon, aan de poort Bath-Rabbim; uw neus is als de | tor | en van den Libanon, die tegen Damaskus ziet; 7:5 uw hoofd ve |
| derplanken. 8:10 Ik ben een muur, en mijne borsten zijn als | tor | ens; en nochtans ben ik voor zijne ogen geworden als ene, di |
| nl/Christendom/De Bijbel (Lutherse vertaling)/Oude Testament/07 Richteren.txt 15 | ||
| aar toen nu Jozua, de zoon van Nun, de knecht des Heren, ges | tor | ven was, honderd en tien jaar oud zijnde, 2:9 en zij hem beg |
| drongen, had de Heer mededogen. 2:19 Als dan de richter ges | tor | ven was, zo vielen zij weder af, en verdierven het meer nog |
| den al verder hetgeen kwaad was voor den Heer, toen Ehud ges | tor | ven was. 4:2 En de Heer verkocht hen in de hand van Jabin, d |
| e lieden van Pnuël: Kom ik met vrede weder, zo zal ik dezen | tor | en afbreken. 8:10 Zebah en Zalmunna nu waren te Karkor, en h |
| liet de lieden van Sukkoth die voelen. 8:17 En hij brak den | tor | en van Pnuël af, en doodde de lieden der stad. 8:18 En hij s |
| vader Joas, te Ofra der Abiëzrieten. 8:33 Toen nu Gideon ges | tor | ven was, keerden de kinderen Israëls zich om en hoereerden d |
| , en bezaaide haar met zout. 9:46 Toen al de mannen van den | tor | en van Sichem dit hoorden, gingen zij in de vesting van het |
| 9:47 En toen Abimélech dat hoorde, dat al de mannen van den | tor | en van Sichem zich vergaderd hadden, 9:48 ging hij op den be |
| ting, en staken ze aan met vuur; zodat al de mannen van den | tor | en van Sichem stierven, omtrent duizend mannen en vrouwen. 9 |
| belegerde haar en nam haar in. 9:51 Maar er was een sterke | tor | en midden in de stad, op welken al de mannen en vrouwen en a |
| sloten dien achter zich toe; en zij klommen op het dak des | tor | ens. 9:52 Toen kwam Abimélech tot aan den toren en bestormde |
| op het dak des torens. 9:52 Toen kwam Abimélech tot aan den | tor | en en bestormde dien; en hij naderde tot aan de deur van den |
| es torens. 9:52 Toen kwam Abimélech tot aan den toren en bes | tor | mde dien; en hij naderde tot aan de deur van den toren om he |
| n en bestormde dien; en hij naderde tot aan de deur van den | tor | en om hem met vuur te verbranden. 9:53 Maar ene vrouw wierp |
| te doden; en zij hebben mijn bijwijf geschonden, dat zij ges | tor | ven is. 20:6 Toen nam ik mijn bijwijf en hieuw haar in stukk |
| nl/Christendom/De Bijbel (Lutherse vertaling)/Oude Testament/05 Deuteronomium.txt 8 | ||
| aar in hunne plaats woonden tot op dezen dag. 2:23 En de Kaf | tor | ieten trokken uit Kaftor en verdelgden de Avvieten, die te H |
| den tot op dezen dag. 2:23 En de Kaftorieten trokken uit Kaf | tor | en verdelgden de Avvieten, die te Hazerim woonden, tot Gaza |
| vuur op den berg Horeb; 4:16 dat gij u niet in het verderf s | tor | t, noch u enig beeld maakt, dat gelijk zij aan een man of vr |
| inderen verwekt, en in het land woont, en u in het verderf s | tor | t, en beelden van enige gelijkenis maakt, zodat gij kwaad do |
| rmhartig God; Hij zal u niet verlaten, noch in het verderf s | tor | ten, en zal ook niet vergeten het verbond, hetwelk Hij uwen |
| en en de een sterft zonder kinderen, zo zal de vrouw des ges | tor | venen geen vreemden man van buiten nemen; maar haar behuwdbr |
| dien zij baart, zal hij laten staan op den naam van zijn ges | tor | ven broeder, opdat zijn naam niet uitgedelgd worde uit Israë |
| gij uitgaat. 28:20 De Heer zal onder u zenden ongeval, vers | tor | ing en verderf, in alles wat gij bij de hand neemt om te doe |
| nl/Christendom/De Bijbel (Lutherse vertaling)/Oude Testament/10 2Samuel.txt 9 | ||
| laats. En wie op die plaats kwam, waar Asaël gevallen en ges | tor | ven was, die stond stil. 2:24 Joab nu en Abisaï joegen Abner |
| oen het kind leefde, vasttet gij en weendet; maar nu het ges | tor | ven is, staat gij op en eet. 12:22 En hij zeide: Ik vastte e |
| ert u? Zij sprak: Ach, ik ben ene weduwe, en mijn man is ges | tor | ven. 14:6 En uwe dienstmaagd had twee zonen; die twistten me |
| nen verstotene niet weder laat halen? 14:14 Want als wij ges | tor | ven zijn, dan zijn wij gelijk het water, dat op de aarde ver |
| llen aan welke plaats wij hem vinden, en zullen ons op hem s | tor | ten gelijk de dauw op de aarde valt, zodat wij van hem en al |
| m, mijn zoon, mijn zoon Absalom! Gave God, dat ik voor u ges | tor | ven ware, o Absalom, mijn zoon, mijn zoon! 2Samuel 19 19:1 E |
| . 19:10 Nu is Absalom, dien wij over ons gezalfd hadden, ges | tor | ven in den strijd: waarom zijt gijlieden nu zo stil, dat gij |
| rmede in den buik, zodat zijn ingewand ter aarde werd uitges | tor | t; en hij gaf hem geen steek meer, want hij was dood. Joab n |
| e tot aan den muur; en al het volk, dat met Joab was, liep s | tor | m, en wilde den muur nederwerpen. 20:16 Toen riep ene wijze |
| nl/Christendom/De Bijbel (Lutherse vertaling)/Oude Testament/21 Prediker.txt 1 | ||
| r konden hebben. 4:2 Toen prees ik de doden, die alreeds ges | tor | ven waren, meer dan de levenden, die het leven nog hadden; 4 |
| nl/Christendom/De Bijbel (Lutherse vertaling)/Oude Testament/30 Amos.txt 2 | ||
| den strijd en als het onweder zal komen ten tijde van den s | tor | m. 1:15 Dan zal hun koning tegelijk met zijne vorsten, gevan |
| niet Israël uit Egypteland gevoerd en de Filistijnen uit Kaf | tor | en de Syriërs uit Kir? 9:8 Zie, de ogen des Heren Heren zie |
| nl/Christendom/De Bijbel (Lutherse vertaling)/Oude Testament/28 Hosea.txt 1 | ||
| en achteruitzetten: daarom zal Ik mijnen toorn over hen uits | tor | ten als water. 5:11 Efraïm lijdt geweld en wordt geplaagd; d |
| nl/Christendom/De Bijbel (Lutherse vertaling)/Oude Testament/13 1Kronieken.txt 4 | ||
| sluhieten, van welke voortgekomen zijn de Filistijnen en Kaf | tor | ieten. 1:13 En Kanaän verwekte Sidon, zijnen eersten zoon, e |
| hare kinderen: Jeser, Sobab en Ardon. 2:19 En toen Azuba ges | tor | ven was, nam Kaleb Efrath; die baarde hem Hur. 2:20 En Hur v |
| uw knecht moed gevonden, dat hij zijn gebed voor U zou uits | tor | ten. 17:26 Nu, Heer, Gij zijt God, en hebt dat goede tot uwe |
| r den voorraad op het land, in de steden, de dorpen en wacht | tor | ens, was Jonathan, de zoon van Uzzía; 27:26 over de akkerlie |
| nl/Christendom/De Bijbel (Lutherse vertaling)/Oude Testament/18 Job.txt 5 | ||
| gen het ongeluk voor mijne ogen. 3:11 Waarom ben ik niet ges | tor | ven van den moederschoot af, waarom ben ik niet omgekomen, t |
| n en niet verschoond, Hij heeft mijne gal op de aarde uitges | tor | t; 16:14 Hij heeft mij de ene wond op de andere toegebracht, |
| 16:20 Mijne vrienden zijn mijne bespotters, maar mijn oog s | tor | t tranen tot God. 16:21 Dat hij mocht richten tussen den man |
| en zijn als stoppels voor den wind, en als kaf, hetwelk de s | tor | mwind wegvoert. 21:19 God bewaart het ongeluk des booswichts |
| moeten begeven, als er van de bergen een slagregen op hen s | tor | t, dewijl zij anders geen schuilplaats hebben. 24:9 Zij rukk |
| nl/Christendom/De Bijbel (Lutherse vertaling)/Oude Testament/01 Genesis.txt 8 | ||
| thrusim en Kasluhim: vandaar zijn gekomen de Filistim en Kaf | tor | im. 10:15 En Kanaän verwekte Sidon, zijnen eersten zoon, en |
| eem tot kalk, 11:4 en spraken: Welaan, laat ons een stad en | tor | en bouwen, welks spits tot aan den hemel reikt, opdat wij on |
| den. 11:5 Toen voer de Heer neder, opdat Hij de stad en den | tor | en zag, welke de mensenkinderen bouwden; 11:6 en de Heer spr |
| koe, en ene driejarige geit, en een driejarigen ram, en ene | tor | telduif, en ene jonge duif. 15:10 En hij bracht Hem dat alle |
| Daarom noemde men hem Gal-Ed. 31:49 En hij zij tot een wacht | tor | en; want hij sprak: De Heer zie daarin tussen mij en u, wann |
| raël trok uit, en richtte ene hut op aan gene zijde van den | tor | en Eder. 35:22 En het gebeurde, toen Israël in dat land woon |
| a: Er, Onan, Sela, Perez en Zerah; maar Er en Onan waren ges | tor | ven in het land Kanaän. En de kinderen van Perez: Hezron en |
| gypte. 50:15 Maar Jozefs broeders vreesden, nu hun vader ges | tor | ven was, en spraken: Jozef zal misschien op ons vergramd zij |
| nl/Christendom/De Bijbel (Lutherse vertaling)/Oude Testament/02 Exodus.txt 8 | ||
| ig; maar Jozef was te voren in Egypte. 1:6 Toen nu Jozef ges | tor | ven was, en al zijne broeders, en allen, die in dien tijd ge |
| Farao zond er heen, en zie van Israëls vee was niet één ges | tor | ven. Maar Farao's hart werd verstokt en hij liet het volk ni |
| n hun leger 14:25 en stiet de raderen van hunne wagens, en s | tor | tte hen met onstuimigheid neder. Toen spraken de Egyptenaars |
| en stroom, en de Egyptenaars vluchtten die te gemoet. Alzo s | tor | tte de Heer hen midden in de zee. 14:28 Toen kwam het water |
| eerlijke daad gedaan; paard en wagen heeft Hij in de zee ges | tor | t. 15:2 De Heer is mijne sterkte en mijn lofzang, en Hij is |
| uwe grote heerlijkheid hebt Gij uwe tegenpartij ternederges | tor | t; want toen Gij uwe grimmigheid uitliet, verteerde zij hen |
| heerlijke daad gedaan: man en paard heeft Hij in de zee ges | tor | t. 15:22 Toen liet Mozes de kinderen Israëls opbreken, van d |
| tijn, 16:3 en zij spraken tot hen: Och, of wij in Egypte ges | tor | ven waren door de hand des Heren, toen wij bij de vleespotte |
| nl/Christendom/De Bijbel (Lutherse vertaling)/Oude Testament/08 Ruth.txt 3 | ||
| and, moet gij ook Ruth de Moabietische, de huisvrouw des ges | tor | venen, nemen, opdat gij den gestorvene een naam verwekt over |
| sche, de huisvrouw des gestorvenen, nemen, opdat gij den ges | tor | vene een naam verwekt over zijn erfdeel. 4:6 Toen sprak hij: |
| che, Machlons huisvrouw, neem ik tot vrouw, opdat ik den ges | tor | vene een naam verwekke over zijn erfdeel, en zijn naam niet |
| nl/Christendom/De Bijbel (Lutherse vertaling)/Oude Testament/_Legacy/Ruth 1.txt 3 | ||
| and, moet gij ook Ruth de Moabietische, de huisvrouw des ges | tor | venen, nemen, opdat gij den gestorvene een naam verwekt over |
| sche, de huisvrouw des gestorvenen, nemen, opdat gij den ges | tor | vene een naam verwekt over zijn erfdeel. 4:6 Toen sprak hij: |
| che, Machlons huisvrouw, neem ik tot vrouw, opdat ik den ges | tor | vene een naam verwekke over zijn erfdeel, en zijn naam niet |
| nl/Christendom/De Bijbel (Lutherse vertaling)/Oude Testament/04 Numeri.txt 7 | ||
| enden dag. 6:10 En op den achtsten dag zal hij brengen twee | tor | telduiven of twee jonge duiven tot den priester, voor den in |
| ehele gemeente sprak tot hen: Och, dat wij in Egypteland ges | tor | ven waren, of nog stierven in deze woestijn! 14:3 Waarom voe |
| : toen hield de plaag op. 16:49 Zij nu, die aan de plaag ges | tor | ven waren, waren veertien duizend en zevenhonderd, behalve d |
| duizend en zevenhonderd, behalve degenen, die met Korach ges | tor | ven waren. 16:50 En Aäron kwam weder tot Mozes voor den inga |
| n der Moabieten verpletteren, en alle kinderen van Seth vers | tor | en. 24:18 Edom zal hij innemen, en Seïr, dat hem vijandig is |
| van de tent der samenkomst, zeggende: 27:3 Onze vader is ges | tor | ven in de woestijn, en hij was niet mede onder de gemeente, |
| pstond in het rot van Korach; maar hij is in zijne zonde ges | tor | ven, en had geen zonen. 27:4 Waarom zal dan de naam onzes va |
| nl/Christendom/De Bijbel (Lutherse vertaling)/Oude Testament/25 Klaagliederen.txt 3 | ||
| at aangenaam was om aan te zien, en zijne grimmigheid uitges | tor | t als een vuur in de hut der dochter van Sion. 2:5 De Heer i |
| j geworpen. 3:54 Zij hebben over mijn hoofd ook water uitges | tor | t; ik sprak: Nu is het met mij gedaan. 3:55 Maar ik riep uwe |
| immigheid volbracht; Hij heeft zijnen grimmigen toorn uitges | tor | t, en Hij heeft te Sion een vuur ontstoken, dat ook hare gro |
| nl/Christendom/De Bijbel (Lutherse vertaling)/Oude Testament/31 Obadja.txt 2 | ||
| stelen, spreekt gij in uw hart: Wie wil mij ter aarde neders | tor | ten? 1:4 Al voert gij dan ook in de hoogte als een arend en |
| uw nest tussen de sterren, nochtans zal Ik u vandaar neders | tor | ten, spreekt de Heer. 1:5 Als er dieven of nachtrovers tot u |
| nl/Christendom/De Bijbel (Lutherse vertaling)/Oude Testament/09 1Samuel.txt 2 | ||
| k niet gedronken, maar ik heb mijn hart voor den Heer uitges | tor | t. 1:16 Wil toch uwe dienstmaagd niet houden voor ene slecht |
| n mijn hoofd stellen mijn leven lang. 28:3 Samuel nu was ges | tor | ven, en geheel Israël had rouw over hem gedragen, en hem beg |
| nl/Christendom/De Bijbel (Lutherse vertaling)/Oude Testament/19 Psalmen.txt 28 | ||
| j ons, hunne ogen richten zij daarheen om ons ter aarde te s | tor | ten, 17:12 gelijk een leeuw, die den roof begeert, als een j |
| an den naam van den Heer, onzen God. 20:9) Zij zijn nederges | tor | t, en gevallen, maar wij staan opgericht. 20:10) Help, Heer, |
| j zegt: Waar is nu uw God? 42:5 Als ik daaraan gedenk, dan s | tor | t ik mijn hart uit bij mijzelven; want ik wilde gaarne heeng |
| elen wil. 48:13 Gaat rondom Sion van alle zijden, telt hare | tor | ens. 48:14 Vestigt uwe aandacht op hare muren, en beschouwt |
| alse tong. 52:7 Daarom zal God u ook geheel en al terneder s | tor | ten en verslaan, u uit de hut rukken, en uit het land der le |
| ven. Sela. 55:9 Ik zou mij haasten om te ontlopen voor den s | tor | mwind en het onweder. 55:10 Maak hunne tongen verdeeld, o He |
| uwig in onrust laten. 55:24 Maar, o God, Gij zult hen neders | tor | ten in den diepen kuil, de bloedgierigen en valsen zullen hu |
| grijpen. 56:8 Zouden zij met hunne boosheid ontkomen? God s | tor | t die lieden zonder genade terneder! 56:9 Tel de wegen mijne |
| e; maar verstrooi hen door uwe macht, Heer, ons schild, en s | tor | t hen neder. 59:13 Het woord hunner lippen is enkel zonde; d |
| e; maar verstrooi hen door uwe macht, Heer, ons schild, en s | tor | t hen neder. 59:13 Het woord hunner lippen is enkel zonde; d |
| e; maar verstrooi hen door uwe macht, Heer, ons schild, en s | tor | t hen neder. 59:13 Het woord hunner lippen is enkel zonde; d |
| e steenrots. 61:4 Want Gij zijt mijn toeverlaat, een sterke | tor | en tegen mijne vijanden. 61:5 Laat mij wonen in uwe hut eeuw |
| e steenrots. 61:4 Want Gij zijt mijn toeverlaat, een sterke | tor | en tegen mijne vijanden. 61:5 Laat mij wonen in uwe hut eeuw |
| het zilver loutert; 68:11 Gij hebt ons laten werpen in den | tor | en, Gij hebt een last gelegd op onze lendenen; 68:12 Gij heb |
| j niet zien, en laat hunne lendenen altoos waggelen. 69:25 S | tor | t uwe ongenade over hen uit, en de gloed uws toorns grijpe h |
| n einde. 73:18 Want Gij plaatst hen op gladde steilten, en s | tor | t hen tegronde. 73:19 Hoe worden zij zo plotseling vernietig |
| naam lastert. 74:19 Wil toch aan het gedierte de ziel uwer | tor | telduif niet geven, en de schaar uwer ellendigen niet zo geh |
| 88:11 Zult Gij dan aan doden wonderen doen, of zullen de ges | tor | venen opstaan en U loven? Sela. 88:12 Zal men in de graven u |
| Ik ben ellendig en machteloos, dat ik zo verstoten ben; ik | tor | s al uwe verschrikkingen en ben wanhopig. 88:17 Uwe gramscha |
| lendigen, die bedroefd is en zijne klacht voor den Heer uits | tor | t. 102:2 Heer, hoor mijn gebed, en laat mijn roepen tot U ko |
| en zijne wonderen in de zee; 107:25 toen Hij sprak en een s | tor | mwind verwekte, dat de baren zich verhieven, 107:26 en naar |
| uurt eeuwig; 136:15 die Farao en zijn heir in de Schelfzee s | tor | tte, want zijne goedheid duurt eeuwig; 136:16 die zijn volk |
| op hun hoofd vallen. 140:11 Hij zal kolen vuur over hen uits | tor | ten; Hij zal hen met vuur diep in de aarde slaan, dat zij ni |
| de aarde; een boos man des gewelds zal verjaagd en nederges | tor | t worden. 140:13 Want ik weet, dat de Heer de zaak des ellen |
| j mij geen schade doen: 141:6 Hunne rechters moeten nederges | tor | t worden over ene steenrots; dan zal men mijne leer horen, d |
| met mijne stem, ik smeek den Heer met mijne stem; 142:3 ìk s | tor | t mijne klacht voor Hem uit, ik maak Hem mijnen nood bekend. |
| arde; hij legt mij in het duister, gelijk de sedert lang ges | tor | venen. 143:4 En mijn geest in mij is beangst, mijn hart in m |
| en alle diepten; 148:8 vuur en hagel, sneeuw en damp; gij s | tor | mwinden, die zijn bevel uitvoert; 148:9 gij bergen en alle h |
| nl/Christendom/De Bijbel (Lutherse vertaling)/Oude Testament/12 2Koningen.txt 5 | ||
| ofeten riep tot Elisa, zeggende: Uw knecht, mijn man, is ges | tor | ven; ook weet gij, dat hij, uw knecht, den Heer vreesde; nu |
| rokken om Joram te bezoeken. 9:17 De wachter nu, die op den | tor | en te Jizreël stond, zag de bende van Jehu komen en sprak: I |
| zult gij hun slechts driemaal slaan. 13:20 Toen nu Elisa ges | tor | ven was en men hem begraven had, vielen in hetzelfde jaar de |
| ft zich uw hart: behoud dien roem en blijf te huis; waarom s | tor | t gij u in het ongeluk, dat gij valt en Juda met u? 14:11 Ma |
| lem uitgieten gelijk men een schotel uitgiet, en zal het oms | tor | ten. 21:14 En Ik zal de overigen van mijn erfdeel verstoten, |
| nl/Christendom/De Bijbel (Lutherse vertaling)/Oude Testament/06 Jozua.txt 5 | ||
| en dienaar van Mozes, zeggende: 1:2 Mijn knecht Mozes is ges | tor | ven, zo maak u nu op en trek over dezen Jordaan, gij en dit |
| het mannelijk geslacht, besneed: alle krijgslieden waren ges | tor | ven in de woestijn op den weg, toen zij uit Egypte trokken; |
| n groot krijgsgeschreeuw maken; dan zullen de stadsmuren ins | tor | ten, en het volk zal er invallen, een ieder recht voor zich |
| t, en het leger van Israël tot een ban stelt en in ongeluk s | tor | t. 6:19 Maar al het zilver en goud, met de koperen en ijzere |
| n brachten het tot Jozua en tot al de kinderen Israëls, en s | tor | tten het uit voor den Heer. 7:24 Toen nam Jozua, en geheel I |
| nl/Christendom/De Bijbel (Lutherse vertaling)/Oude Testament/03 Leviticus.txt 12 | ||
| gels den Heer een brandoffer brengen, zo brenge hij het van | tor | telduiven of van jonge duiven. 1:15 En de priester zal ze to |
| buiten het leger, aan ene reine plaats, waar men de as uits | tor | t, en hij zal het op het hout met vuur verbranden. 4:13 Wann |
| e hij den Heer voor zijne zonde, die hij gedaan heeft, twee | tor | telduiven of twee jonge duiven; de eerste tot een zondoffer, |
| zoenen, en zij zal hem vergeven worden. 5:11 Maar zijn twee | tor | telduiven of twee jonge duiven boven zijn vermogen, zo breng |
| en éénjarig lam tot een brandoffer en ene jonge duif of ene | tor | telduif tot een zondoffer brengen tot den priester, voor den |
| 12:8 Maar is een lam boven haar vermogen, zo neme zij twee | tor | telduiven of twee jonge duiven, de ene tot een brandoffer, d |
| gemengd, en één log olie, tot een spijsoffer; 14:22 en twee | tor | telduiven of twee jonge duiven, die hij met zijne hand verdi |
| te verzoenen voor den Heer. 14:30 Daarna zal hij van de ene | tor | telduif of jonge duif, welke zijne hand heeft mogen verdiene |
| afgeschrapte leem buiten de stad aan ene onreine plaats uits | tor | ten, 14:42 en andere stenen nemen en ze in de plaats der eer |
| dan is hij rein. 15:14 En op den achtsten dag zal hij twee | tor | telduiven of twee jonge duiven nemen, en ze voor den Heer aa |
| al zij rein zijn. 15:29 En op den achtsten dag zal zij twee | tor | telduiven of twee jonge duiven nemen, en deze tot den priest |
| n de Heer sprak tot Mozes, nadat de twee zonen van Aäron ges | tor | ven waren, toen zij voor den Heer offerden, en zeide: 16:2 Z |
| nl/Christendom/De Bijbel (Lutherse vertaling)/Oude Testament/11 1Koningen.txt 1 | ||
| en priemen naar hunne wijze, zodat het bloed over hen uitges | tor | t werd. 18:29 Toen nu de middag voorbij was, profeteerden zi |
| nl/Christendom/De Bijbel (Lutherse vertaling)/Oude Testament/17 Esther.txt 2 | ||
| elezene jonge dochter; en toen haar vader en hare moeder ges | tor | ven waren, had Mordechai haar tot zijne dochter aangenomen. |
| kon de koning niet slapen, en gebood de kronieken en de his | tor | iën te brengen. Toen die voor den koning gelezen werden, von |
| nl/Christendom/De Bijbel (Lutherse vertaling)/Oude Testament/32 Jona.txt 1 | ||
| u stil worden; want ik weet, dat om mijnentwil deze hevige s | tor | m u overkomt. 1:13 En de lieden roeiden om weder aan het lan |
| nl/Christendom/De Bijbel (Lutherse vertaling)/Oude Testament/14 2Kronieken.txt 8 | ||
| zal hun enige verlossing geven, opdat mijn toorn niet uitges | tor | t worde over Jeruzalem door Sisak; 12:8 doch zij zullen hem |
| Laat ons deze steden bouwen, en er muren omheen trekken, en | tor | ens, poorten en grendels [maken], terwijl het land nog het o |
| des konings en wie van den hogepriester bevel had, en zij s | tor | tten het geld uit de kist, en brachten die weder op hare pla |
| , want hij werd al sterker en sterker. 26:9 En Uzzía bouwde | tor | ens te Jeruzalem, aan de Hoekpoort en aan de Dalpoort en aan |
| 5 En hij maakte te Jeruzalem kunstige werktuigen, die op de | tor | ens en hoeken zijn zouden, om te werpen met pijlen en grote |
| t gebergte van Juda, en in de wouden bouwde hij sterkten en | tor | ens. 27:5 En hij streed tegen den koning der kinderen Ammons |
| en bouwde al de muren, waar zij gescheurd waren, en maakte | tor | ens daarop, en bouwde daarbuiten nog een anderen muur, en ve |
| edragen, dat doen zij; 34:17 en zij hebben het geld samenges | tor | t, dat in het huis des Heren gevonden is, en hebben het gege |
| nl/Christendom/De Bijbel (Lutherse vertaling)/Oude Testament/23 Jesaja.txt 15 | ||
| bergen, en over alle verheven heuvelen; 2:15 over alle hoge | tor | ens, en over alle vaste muren; 2:16 over alle schepen van Ta |
| rd, en edele wijnstokken daarin geplant; hij bouwde ook een | tor | en in deszelfs midden, en groef ene wijnpers daarin, en verw |
| lijke ranken: Hij wachtte naar recht, maar zie, er is bloeds | tor | ting, naar gerechtigheid, maar zie, er is groot geschrei. 5: |
| ner paarden zijn als rotsen, en hunne wagenraderen als een s | tor | mwind; 5:29 zij brullen als leeuwen, en brullen als de jonge |
| nacht. 21:5 Ja, richt de tafel aan, laat waken op den wacht | tor | en; eet, drinkt; maakt u óp, gij vorsten, zalft het schild. |
| t. 21:8 En hij riep als een leeuw: Heer, ik sta op den wacht | tor | en gestadig bij dag, en zet mij op mijne hoede den gehelen n |
| zijn niet met het zwaard verslagen en niet in den strijd ges | tor | ven, 22:3 maar al uwe hoofdlieden zijn voor den boog weggewe |
| icht voor de bewoners der woestijn; zij hebben daarin vaste | tor | ens opgericht en paleizen opgebouwd, maar het is gesteld tot |
| Want de Heer heeft een geest van diepen slaap over u uitges | tor | t, en uwe ogen vast gesloten; uwe profeten en hoofden en de |
| eer hij begint uit te wijken, die schielijk, onvoorziens ins | tor | t; 30:14 gelijk een pot verbrijzeld wordt, dien men zonder v |
| aterstromen zijn, ten tijde der grote slachting, wanneer de | tor | ens vallen zullen. 30:26 En het licht der maan zal zijn als |
| en de stad, die vol gewoel was, zal eenzaam zijn; zodat de | tor | ens en vestingen eeuwige holen worden, voor het wild tot vre |
| e schrijvers, waar is de betaalmeester, waar is hij, die de | tor | ens telt? 33:19 Daarenboven zult gij dat sterke volk niet me |
| en ziet mij niet. Uwe wijsheid en kunst heeft u terneder ges | tor | t; gij spraakt in uw hart: Wat ik ben, dat is niemand meer. |
| em niets geacht. 53:4 Voorwaar, hij droeg onze ellenden, en | tor | ste onze smarten; maar wij hielden hem voor enen geplaagde, |
| nl/Christendom/De Bijbel (Lutherse vertaling)/Oude Testament/20 Spreuken.txt 6 | ||
| ne voeten lopen tot het kwaad, en haasten zich om bloed te s | tor | ten. 1:17 Want het is tevergeefs het net uit te spreiden voo |
| rt u tot mijne onderwijzing; zie, ik zal u mijnen geest uits | tor | ten, en u mijne woorden bekendmaken. 1:24 Dewijl ik dan roep |
| t komt, 1:27 als hetgeen gij vreest over u komt gelijk een s | tor | m, en uw ongeval als een onweder, als u angst en nood overko |
| te vrezen voor een schielijke verschrikking, noch voor den s | tor | m der goddelozen, als hij komt; 3:26 want de Heer is uw toev |
| geleiden, maar de boosheid zal de verachters in het onheil s | tor | ten. 11:4 Vermogen baat niet ten dage des toorns, maar gerec |
| ele zonden. 29:23 De hoovaardij des mensen zal hem terneders | tor | ten, maar de ootmoedige zal eer ontvangen. 29:24 Wie met een |
| nl/Christendom/De Bijbel (Lutherse vertaling)/Oude Testament/15 Ezra.txt 1 | ||
| voor het huis Gods, en sidderde om die zaak en vanwege den s | tor | tregen. 10:10 En Ezra, de priester, stond op en sprak tot he |
| nl/Christendom/De Bijbel (Lutherse vertaling)/Oude Testament/16 Nehemia.txt 7 | ||
| gden ze en stelden hare deuren; en zij heiligden ze van den | tor | en Mea af tot aan den toren Hananeël. 3:2 En nevens hem bouw |
| euren; en zij heiligden ze van den toren Mea af tot aan den | tor | en Hananeël. 3:2 En nevens hem bouwden de mannen van Jericho |
| oon van Pahath-Moab, bouwden een ander stuk en den Bakovens- | tor | en. 3:12 Nevens hen bouwde Sallum, de zoon van Hallohes, ove |
| 25 Palal, de zoon van Uzai, tegenover den hoek en den hogen | tor | en die van het huis des konings uitsteekt, bij den hof der g |
| el woonden, tot aan de Waterpoort tegen het Oosten, waar de | tor | en uitsteekt. 3:27 Daarna bouwden die van Tekóa een ander st |
| bouwden die van Tekóa een ander stuk, tegenover den groten | tor | en die daar uitsteekt, en tot aan den muur van Ofel. 3:28 Va |
| en de helft des volks, den muur opwaarts, naar den Bakovens- | tor | en toe, tot aan den breden muur; 12:39 en naar de poort Efra |