Concordanza KWIC
Che cos'è?
Keyword-in-Context shows every occurrence of a word across the texts you choose, one line each, with the word aligned in the middle and its surrounding words on either side. Reading down the centre column lets you see at a glance how the word is used — its recurring neighbours, fixed phrases, and different senses across traditions. It's a tool for studying a word; to find a passage to read, use Search instead.
Oppure scelga una cartella nell'albero dei testi:
106 occorrenza/e di tor in 11 testi in /nl/Christendom/_Legacy
| nl/Christendom/_Legacy/Deuteronomium 1.txt 8 | ||
|---|---|---|
| aar in hunne plaats woonden tot op dezen dag. 2:23 En de Kaf | tor | ieten trokken uit Kaftor en verdelgden de Avvieten, die te H |
| den tot op dezen dag. 2:23 En de Kaftorieten trokken uit Kaf | tor | en verdelgden de Avvieten, die te Hazerim woonden, tot Gaza |
| vuur op den berg Horeb; 4:16 dat gij u niet in het verderf s | tor | t, noch u enig beeld maakt, dat gelijk zij aan een man of vr |
| inderen verwekt, en in het land woont, en u in het verderf s | tor | t, en beelden van enige gelijkenis maakt, zodat gij kwaad do |
| rmhartig God; Hij zal u niet verlaten, noch in het verderf s | tor | ten, en zal ook niet vergeten het verbond, hetwelk Hij uwen |
| en en de een sterft zonder kinderen, zo zal de vrouw des ges | tor | venen geen vreemden man van buiten nemen; maar haar behuwdbr |
| dien zij baart, zal hij laten staan op den naam van zijn ges | tor | ven broeder, opdat zijn naam niet uitgedelgd worde uit Israë |
| gij uitgaat. 28:20 De Heer zal onder u zenden ongeval, vers | tor | ing en verderf, in alles wat gij bij de hand neemt om te doe |
| nl/Christendom/_Legacy/Psalmen 1.txt 28 | ||
| j ons, hunne ogen richten zij daarheen om ons ter aarde te s | tor | ten, 17:12 gelijk een leeuw, die den roof begeert, als een j |
| an den naam van den Heer, onzen God. 20:9) Zij zijn nederges | tor | t, en gevallen, maar wij staan opgericht. 20:10) Help, Heer, |
| j zegt: Waar is nu uw God? 42:5 Als ik daaraan gedenk, dan s | tor | t ik mijn hart uit bij mijzelven; want ik wilde gaarne heeng |
| elen wil. 48:13 Gaat rondom Sion van alle zijden, telt hare | tor | ens. 48:14 Vestigt uwe aandacht op hare muren, en beschouwt |
| alse tong. 52:7 Daarom zal God u ook geheel en al terneder s | tor | ten en verslaan, u uit de hut rukken, en uit het land der le |
| ven. Sela. 55:9 Ik zou mij haasten om te ontlopen voor den s | tor | mwind en het onweder. 55:10 Maak hunne tongen verdeeld, o He |
| uwig in onrust laten. 55:24 Maar, o God, Gij zult hen neders | tor | ten in den diepen kuil, de bloedgierigen en valsen zullen hu |
| grijpen. 56:8 Zouden zij met hunne boosheid ontkomen? God s | tor | t die lieden zonder genade terneder! 56:9 Tel de wegen mijne |
| e; maar verstrooi hen door uwe macht, Heer, ons schild, en s | tor | t hen neder. 59:13 Het woord hunner lippen is enkel zonde; d |
| e; maar verstrooi hen door uwe macht, Heer, ons schild, en s | tor | t hen neder. 59:13 Het woord hunner lippen is enkel zonde; d |
| e; maar verstrooi hen door uwe macht, Heer, ons schild, en s | tor | t hen neder. 59:13 Het woord hunner lippen is enkel zonde; d |
| e steenrots. 61:4 Want Gij zijt mijn toeverlaat, een sterke | tor | en tegen mijne vijanden. 61:5 Laat mij wonen in uwe hut eeuw |
| e steenrots. 61:4 Want Gij zijt mijn toeverlaat, een sterke | tor | en tegen mijne vijanden. 61:5 Laat mij wonen in uwe hut eeuw |
| het zilver loutert; 68:11 Gij hebt ons laten werpen in den | tor | en, Gij hebt een last gelegd op onze lendenen; 68:12 Gij heb |
| j niet zien, en laat hunne lendenen altoos waggelen. 69:25 S | tor | t uwe ongenade over hen uit, en de gloed uws toorns grijpe h |
| n einde. 73:18 Want Gij plaatst hen op gladde steilten, en s | tor | t hen tegronde. 73:19 Hoe worden zij zo plotseling vernietig |
| naam lastert. 74:19 Wil toch aan het gedierte de ziel uwer | tor | telduif niet geven, en de schaar uwer ellendigen niet zo geh |
| 88:11 Zult Gij dan aan doden wonderen doen, of zullen de ges | tor | venen opstaan en U loven? Sela. 88:12 Zal men in de graven u |
| Ik ben ellendig en machteloos, dat ik zo verstoten ben; ik | tor | s al uwe verschrikkingen en ben wanhopig. 88:17 Uwe gramscha |
| lendigen, die bedroefd is en zijne klacht voor den Heer uits | tor | t. 102:2 Heer, hoor mijn gebed, en laat mijn roepen tot U ko |
| en zijne wonderen in de zee; 107:25 toen Hij sprak en een s | tor | mwind verwekte, dat de baren zich verhieven, 107:26 en naar |
| uurt eeuwig; 136:15 die Farao en zijn heir in de Schelfzee s | tor | tte, want zijne goedheid duurt eeuwig; 136:16 die zijn volk |
| op hun hoofd vallen. 140:11 Hij zal kolen vuur over hen uits | tor | ten; Hij zal hen met vuur diep in de aarde slaan, dat zij ni |
| de aarde; een boos man des gewelds zal verjaagd en nederges | tor | t worden. 140:13 Want ik weet, dat de Heer de zaak des ellen |
| j mij geen schade doen: 141:6 Hunne rechters moeten nederges | tor | t worden over ene steenrots; dan zal men mijne leer horen, d |
| met mijne stem, ik smeek den Heer met mijne stem; 142:3 ìk s | tor | t mijne klacht voor Hem uit, ik maak Hem mijnen nood bekend. |
| arde; hij legt mij in het duister, gelijk de sedert lang ges | tor | venen. 143:4 En mijn geest in mij is beangst, mijn hart in m |
| en alle diepten; 148:8 vuur en hagel, sneeuw en damp; gij s | tor | mwinden, die zijn bevel uitvoert; 148:9 gij bergen en alle h |
| nl/Christendom/_Legacy/Galaten 1.txt 3 | ||
| t een overtreder. 2:19 Maar ik ben door de Wet der Wet afges | tor | ven, opdat ik Gode leven zou. 2:20 Ik ben met Christus gekru |
| erechtigheid door de wet komt, zo is Christus tevergeefs ges | tor | ven. Galaten 3 3:1 O onverstandige Galatiërs, wie heeft u be |
| gehouden. 5:12 Och dat zij ook afgesneden werden, die u vers | tor | en! 5:13 Want gij, broeders, zijt tot vrijheid geroepen; all |
| nl/Christendom/_Legacy/Ezechiel 1.txt 32 | ||
| p er een wal omheen en omring ze met een heirleger en stel s | tor | mrammen rondom haar heen. 4:3 Voorts neem voor u ene ijzeren |
| zal. 7:8 Nu wil Ik welhaast mijne verbolgenheid over u uits | tor | ten en mijnen toorn aan u volbrengen, en Ik zal u richten ge |
| 7:18 En zij zullen zakken omgorden, en met doodschrik overs | tor | t zijn, en alle aangezichten zullen er jammerlijk uitzien, e |
| rgeblevenen van Israël verderven, dat Gij uwen toorn zo uits | tor | t over Jeruzalem? 9:9 En Hij sprak tot mij: De misdaad van h |
| wervelwind zal hem scheuren. 13:12 Zie, zo zal die muur ins | tor | ten en men zal dan tot u zeggen: Waar is nu het gepleisterde |
| zenden en mijne verbolgenheid daarover uitgieten en bloed s | tor | ten, zodat Ik beiden, mensen en vee, uitroeide; 14:20 en Noa |
| rs en der bloedvergietsters over u brengen en zal uw bloed s | tor | ten met grimmigheid en minneijver; 16:39 en Ik zal u in hunn |
| ypte niet. Toen dacht Ik mijne grimmigheid over hen uit te s | tor | ten en al mijnen toorn over hen te laten gaan in het midden |
| tten zeer. Toen dacht Ik mijne grimmigheid over hen uit te s | tor | ten in de woestijn en hen geheel te verdelgen. 20:14 Maar Ik |
| sabbatten. Toen dacht Ik mijne grimmigheid over hen uit te s | tor | ten en al mijnen toorn over hen te laten gaan in de woestijn |
| ersen met sterke hand en met uitgestrekten arm en met uitges | tor | te grimmigheid. 20:34 En Ik zal u uit de volken voeren en ve |
| zijt, met sterke hand en met uitgestrekten arm en met uitges | tor | te grimmigheid. 20:35 En Ik zal u brengen in de woestijn der |
| ging zal op de rechterzijde naar Jeruzalem duiden, dat hij s | tor | mrammen zal aanvoeren, en bressen maken en ze met een groot |
| een groot geschreeuw overvallen in het moorden; en dat hij s | tor | mrammen zal aanvoeren tegen de poorten en aldaar een wal zal |
| r gij geboren zijt; 21:31 en Ik zal mijnen toorn over u uits | tor | ten, Ik zal het vuur mijner grimmigheid tegen u aanblazen, e |
| worden, dat Ik, de Heer, mijne grimmigheid over u heb uitges | tor | t. 22:23 En het woord des Heren geschiedde tot mij, zeggende |
| het niet zou verderven; maar Ik vond niemand. 22:31 Daarom s | tor | tte Ik mijnen toorn uit over hen en met het vuur mijner grim |
| heb haar daarom ook dat bloed op ene naakte steenrots doen s | tor | ten, teneinde het niet bedekt zou worden, opdat de grimmighe |
| olven. 26:4 Die zullen de muren van Tyrus verderven en hare | tor | ens afbreken; ja Ik zal ook het stof voor haar wegvegen en z |
| wal maken, en schilden tegen u toerusten; 26:9 hij zal met s | tor | mrammen uwe muren omverstoten, en uwe torens met zijne wapen |
| 26:9 hij zal met stormrammen uwe muren omverstoten, en uwe | tor | ens met zijne wapenen omverrukken. 26:10 Het stof van de men |
| bij degenen, die in den kuil dalen, tot de lang voorheen ges | tor | venen; Ik zal u in het onderste der aarde doen vallen en u g |
| onder uw heir op uwe muren rondom en de Gammadieten op uwe | tor | ens; die hebben hunne schilden overal aan uwe muren opgehang |
| 34 maar nu zijt gij door de zee in de diepte der wateren ges | tor | t, zodat uw handel en al uw volk, dat in u was, vergaan is. |
| itgebreiden handel en hebt gezondigd; daarom zal Ik u neders | tor | ten van den berg Gods, en zal u, den overschaduwenden cherub |
| t laten bedriegen in uwe pracht, daarom wil Ik u ter aarde s | tor | ten en een schouwspel van u maken voor de koningen. 28:18 Wa |
| ar betoon, dat Ik heilig ben. 28:23 En Ik zal pest en bloeds | tor | ting in haar zenden op hare straten en er zullen dodelijk ge |
| te zullen vallen en de hoovaardij hunner macht zal terneders | tor | ten: van Migdol tot Syene zullen zij door het zwaard vallen, |
| echt over No doen gaan. 30:15 En Ik zal mijne gramschap uits | tor | ten over Sin, de sterkte van Egypte, en zal de menigte van N |
| als de onreinheid ener vrouw in hare zuivering, 36:18 toen s | tor | tte Ik mijne verbolgenheid over hen uit, vanwege het bloed, |
| en, want Ik heb mijnen Geest over het huis van Israël uitges | tor | t, spreekt de Heere Heere. Ezechiel 40 40:1 In het vijfentwi |
| g geduurd, o vorsten van Israël; houdt op met geweld en vers | tor | ing en doet hetgeen recht en goed is; en doet weg van mijn v |
| nl/Christendom/_Legacy/Esther 1.txt 2 | ||
| elezene jonge dochter; en toen haar vader en hare moeder ges | tor | ven waren, had Mordechai haar tot zijne dochter aangenomen. |
| kon de koning niet slapen, en gebood de kronieken en de his | tor | iën te brengen. Toen die voor den koning gelezen werden, von |
| nl/Christendom/_Legacy/Obadja 1.txt 2 | ||
| stelen, spreekt gij in uw hart: Wie wil mij ter aarde neders | tor | ten? 1:4 Al voert gij dan ook in de hoogte als een arend en |
| uw nest tussen de sterren, nochtans zal Ik u vandaar neders | tor | ten, spreekt de Heer. 1:5 Als er dieven of nachtrovers tot u |
| nl/Christendom/_Legacy/Zephanja 1.txt 3 | ||
| zij tegen den Heer gezondigd hebben; en hun bloed zal uitges | tor | t worden als stof en hun lichaam als slijk. 1:18 Hun zilver |
| geslachten; ook zullen er roerdompen en egels wonen op hare | tor | ens, en vogels zullen in de vensters zingen, de drempel zal |
| koninkrijken bijeenbrengen om mijnen toorn over hen uit te s | tor | ten, ja, al den toorn mijner grimmigheid; want de gehele wer |
| nl/Christendom/_Legacy/Judas 1.txt 2 | ||
| derven zij zich. 1:11 Wee hun! want zij gaan Ka‘ns weg, en s | tor | ten zich in de dwaling van Bileam om gewin, en vergaan als i |
| e winden omgedreven; kale, onvruchtbare bomen, tweemaal vers | tor | ven en ontworteld; 1:13 wilde baren der zee, die hunne eigen |
| nl/Christendom/_Legacy/Titus 1.txt 1 | ||
| iligen Geestes, 3:6 dien Hij rijkelijk over ons heeft uitges | tor | t door Jezus Christus, onzen Zaligmaker; 3:7 opdat wij, door |
| nl/Christendom/_Legacy/Exodus 1.txt 8 | ||
| ig; maar Jozef was te voren in Egypte. 1:6 Toen nu Jozef ges | tor | ven was, en al zijne broeders, en allen, die in dien tijd ge |
| Farao zond er heen, en zie van Israëls vee was niet één ges | tor | ven. Maar Farao's hart werd verstokt en hij liet het volk ni |
| n hun leger 14:25 en stiet de raderen van hunne wagens, en s | tor | tte hen met onstuimigheid neder. Toen spraken de Egyptenaars |
| en stroom, en de Egyptenaars vluchtten die te gemoet. Alzo s | tor | tte de Heer hen midden in de zee. 14:28 Toen kwam het water |
| eerlijke daad gedaan; paard en wagen heeft Hij in de zee ges | tor | t. 15:2 De Heer is mijne sterkte en mijn lofzang, en Hij is |
| uwe grote heerlijkheid hebt Gij uwe tegenpartij ternederges | tor | t; want toen Gij uwe grimmigheid uitliet, verteerde zij hen |
| heerlijke daad gedaan: man en paard heeft Hij in de zee ges | tor | t. 15:22 Toen liet Mozes de kinderen Israëls opbreken, van d |
| tijn, 16:3 en zij spraken tot hen: Och, of wij in Egypte ges | tor | ven waren door de hand des Heren, toen wij bij de vleespotte |
| nl/Christendom/_Legacy/Romeinen 1.txt 17 | ||
| geloof, zag ook niet op zijn eigen lichaam, dat alreeds vers | tor | ven was, daar hij reeds bijna honderd jaren oud was, ook nie |
| hij reeds bijna honderd jaren oud was, ook niet op den vers | tor | ven schoot van Sara; 4:20 want hij twijfelde niet aan de bel |
| 5 en de hoop beschaamt ons niet, omdat de liefde Gods uitges | tor | t is in onze harten door den Heiligen Geest, die ons gegeven |
| nog zwak waren, is op den bestemden tijd voor goddelozen ges | tor | ven. 5:7 Nu sterft nauwelijks iemand voor een rechtvaardige; |
| wijst God zijne liefde jegens ons, dat Christus voor ons ges | tor | ven is, toen wij nog zondaars waren. 5:9 Zo zullen wij immer |
| ng; want indien door de overtreding van dien éénen velen ges | tor | ven zijn, zo is veelmeer Gods genade en gave over velen over |
| Hoe zouden wij nog in de zonde willen leven, welke wij afges | tor | ven zijn? 6:3 Of weet gij niet, dat wij allen, die in Jezus |
| en wij voortaan de zonde niet meer dienen; 6:7 want wie ges | tor | ven is, die is gerechtvaardigd van de zonde. 6:8 Zijn wij nu |
| rechtvaardigd van de zonde. 6:8 Zijn wij nu met Christus ges | tor | ven, zo geloven wij, dat wij ook met hem leven zullen, 6:9 w |
| e dood zal niet meer over hem heersen. 6:10 Want wat hij ges | tor | ven is, dat is hij der zonde gestorven eenmaal; maar wat hij |
| en. 6:10 Want wat hij gestorven is, dat is hij der zonde ges | tor | ven eenmaal; maar wat hij leeft, dat leeft hij Gode. 6:11 Al |
| 6:11 Alzo ook gij, houdt het daarvoor, dat gij der zonde ges | tor | ven zijt, en Gode leeft, in Christus Jezus, onzen Heer. 6:12 |
| dragen; 7:6 maar nu zijn wij vrij van de wet, en haar afges | tor | ven, die ons gevangen hield, zodat wij dienen in nieuwheid d |
| r toen het gebod kwam, werd de zonde levend; maar ik ben ges | tor | ven, 7:10 en het is bevonden, dat het gebod mij ten dood wer |
| rdig maakt. 8:34 Wie wil verdoemen? Christus is het, die ges | tor | ven is, ja veel meer, die ook opgewekt is, die ook ter recht |
| en, wij zijn des Heren. 14:9 Want Christus is ook daarom ges | tor | ven en weder levend geworden, opdat hij over doden en levend |
| derf toch dien niet met uwe spijs, om wiens wil Christus ges | tor | ven is. 14:16 Daarom maakt, dat uwe voorrecht niet gelasterd |